Macht en geld maken het nieuws. De gouden eeuw van de journalistiek, deel 4

Wie 'controleert' nu echt wat er verschijnt? Is het de kracht van het geld? Of spelen er andere machtsfactoren? De waarheid is behoorlijk genuanceerd, van allerlei complotten is hoe dan ook helemaal geen sprake. 

Laat ons even vertrekken van de simpele realiteit van het product 'nieuws': elke dag draaien websites, ligt er een krant, is er een televisiejournaal, zijn er praatprogramma’s en een constante stroom van informatie op het net. Zo abstract is dat allemaal niet. Na jaren ervaring op redacties is het natuurlijk mogelijk om een proces te ontwaren, de magische formule, van zowel selectie als productie. Een proces zonder veel regels, maar met een aantal duidelijke kenmerken. Alleen niet diegenen die je nu net zou verwachten.

Laat ons aannemen dat nieuws maken werkt op basis van twee grote krachten: economische en politieke. Laat ons dat nu even in mensentaal omzetten: “We moeten geld verdienen, zo simpel is het” en “macht en vrienden op hoge plaatsen, dat is het enige dat telt.”

Helaas is dit al te simplistisch.

Over eventuele economische motieven bij de beslissingen die journalisten nemen, de invloed van ‘het geld’ op ‘de journalistiek, is de laatste 70 jaar bijzonder veel gezegd en geschreven. De drang om veel te verdienen, om te scoren bij op winstbeluste bazen, om de winstcijfers naar ongekende hoogte op te pompen. Met de uitzondering van openbare omroepen, moeten de meeste kranten, televisiestations en radiozenders geld verdienen om te overleven. Maar hoofd- en eindredacteurs hebben zelden de tijd of de behoefte om veel te praten met hun uitgevers over de financiën. Verder dan ‘we zijn okay’ gaat dit vaak niet.

Dit wilt natuurlijk niet zeggen dat journalisten niks geven om verkoop- of kijkcijfers. Maar ze zien die cijfers meer als ‘publiek dat ze bereiken’, en niet als ‘weer een euro uit de zakken van een koper in de krantenwinkel van het Centraal Station geklopt’.

De mediabaronnen sterven uit

Meer kranten verkopen en dus meer lezers hebben, draait eerder om het ego dan om het geld. Hoofdredacteurs zien hun extra weekendmagazine of hun reiskatern toch eerder als een ‘extra reden om de krant te lezen’ dan als een nieuwe manier om advertentie te slijten. Een extra dik nummer van het weekendmagazine met als titel ‘handtassen-special’ is natuurlijk een uitgelezen kans om dure merkten te laten adverteren, maar toch in de eerste plaats bedoeld om lezers te lokken.

Bovendien zijn steeds meer mediabedrijven tegenwoordig beursgenoteerd, of eigendom van een investeringsgroep. Dat maakt de invloed van mediabaronnen, die hele reeksen kranten controleerden, minder groot. Vlaanderen lijkt de uitzondering, met de families Van Thillo, Leysen en De Nolf als exponenten. In de VS hebben quasi alle grote uitgeef-families 'hun' krant verkocht.

Hoe professioneler en meer gecontroleerd, hoe minder de kans op beïnvloeding van bovenaf op het journalistieke vlak. De tijd dat eigenaars hun kranten gebruikten om allerlei zakelijke belangen te verdedigen, is voorbij. De enige uitzondering is misschien de mediasector zelf; verslaggeving van journalisten over het eigen bedrijf of over de concurrentie ligt gevoelig. Zeker in een markt zoals in Vlaanderen, waar maar goed 2,5 mediabedrijven overblijven en de zakelijke belangen verdeeld en verstrengeld lopen over kranten, radio en televisie.

De macht van de media

Nemen we dan de politieke motivatie van journalisten; hun honger naar invloed en macht als invloed op de journalistiek. Zeker in de Verenigde Staten, maar ook steeds meer in Groot-Brittannië en de rest van Europa, bestaat er een harde kern van mensen die gelooft in ‘het complot van de media’. Journalisten ‘liggen allemaal in bed met de macht’, zijn de ‘schoothonden van de heersende klasse’, en ‘censureren de waarheid die de politieke achterhoudt voor het volk’. Steeds opnieuw is het zogenaamde doel ‘de massa te manipuleren, misleiden en controleren’.

De waarheid is dat journalisten niet georganiseerd genoeg zijn om dat te doen. Een redactie leiden is zoals herder zijn van een kudde katten. Het hoogste wat een hoofdredacteur kan bereiken, is de journalisten aan de gang krijgen. In welke richting ze vervolgens gaan, weet niemand op voorhand.

De meeste redacties werken bovendien met een openlijk vijandbeeld: de concurrentie, de redactie van elke andere krant of televisiestation. Het idee dat je zou samenspannen onder een hoedje met die mensen, veroorzaakt bij de meeste reporters koude rillingen.

Daarmee is nog niet gezegd dat journalisten en politici geen spelletjes spelen met elkaar. Het is courant om als journalist een verhaal ‘op te houden’, als je daarmee binnen een paar dagen een veel grotere scoop te pakken krijgt. In België is het gebruikelijk dat politici verhalen ‘lekken’ om anderen te beschadigen. Hele oorlogjes van schadelijke lekken tussen twee politieke kampen worden op de krantenpagina’s uitgevochten. Maar veel vaker staan politici gewoon in de krant omdat ze hun telefoon opnamen en een antwoord gaven op een kritische vraag, of een persconferentie hielden, of zelfs gewoon toevallig in de gang stonden op moment dat de camera’s draaiden.

Natuurlijk hebben journalisten ook hun politieke voorkeur, die hun werk kleurt. Alleen zijn de collega's en hoofdredactie daar vaak van op de hoogte en functioneren ze als vangnet. Over de politiek/ideologische voorkeur van journalisten stelden sociologen overigens een opmerkelijk gedrag vast bij nieuwsredacties. Los van de persoonlijke overtuiging van een reporter, neigen journalisten ernaar zich aan te passen aan de waarden en normen van de publicatie of zender waar ze voor werken. Conservatieven die werken voor een ‘progressief’ dagblad gaan zich dus onbewust aanpassen in hun werk, om zich te aligneren met de lijn van de krant. Willen journalisten hun werk gehonoreerd zien, door hoofd- of eindredacteurs, met bijvoorbeeld een prominente plaats op de voorpagina of als de opening van het nieuws, dan passen ze onbewust hun aanbod aan, in functie van wat het medium wil.

Concreet betekent dit dat een journalist veeleer een verhaal zal maken dat dezelfde ‘bias’ heeft als dat van zijn collega aan de bureau naast hem, dan dat hij een politicus een prachtig platform geeft omdat hij sympathie heeft voor z’n partij en ideeën.

Voorbij de verzuiling

De tijd van de verzuiling en de partijgebonden kranten is lang achter ons. In Europa zijn journalisten nooit zover gegaan als in de Verenigde Staten, waar iedere journalist en elk mediamerk van zichzelf beweert dat ze ‘100 procent objectief” is. Maar de breuk met het verleden, waarin er katholieke, protestante, socialistische, liberale of communistische kranten bestonden, is wel compleet.

De Morgen en De Standaard verslaan vandaag de meeste politieke gebeurtenissen op exact dezelfde manier. The Guardian en The Telegraph mogen af en toe compleet verschillende visies op de gang van zaken hebben, ze zijn geen verlengstuk van de partijpolitiek meer. Dit heeft, helaas, wel geleid tot meer eenheidsworst.

Want meer dan een echte ‘ontvoogdingsstrijd’ was de ontzuiling in ons land vooral een kwestie van commerciële logica. Hoofdredacteurs en eigenaars van kranten realiseerden zich dat schrijven voor een bepaalde partij of politieke overtuiging vooral een slecht verkoopargument is: je beperkt automatisch je potentieel koperspubliek. En met die afweging eindigde het tijdperk waarin politici konden bellen naar een redactie om snel een stuk te dicteren.

Natuurlijk bestaan er nog subtiele verschillen, en ja, hier en daar zet een Marxistische krant de klassenstrijd verder – L’Humanité in Frankrijk verkoopt elke dag nog meer dan 40.000 exemplaren. Maar in vergelijking met het aanbod een paar decennia geleden, is er sprake van een seismografische verschuiving. Zowat elke familie heeft wel verhalen over waarom grootvader een bepaalde krant las, en waarom dat een statement was. En hoe hij ’s winters bij de stoof zich warmde aan het hoongelach in ‘de krant’ over de misstappen van de ‘politieke vijand’. Die dagen zijn echt voorbij.

De oorzaak van die ontzuiling ligt ongetwijfeld voor een deel bij het schokeffect dat de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte. Het inzicht dat blind meegaan in de retoriek en de ‘waarheid’ van een partij of ideologie zoveel leed kon veroorzaken, had een diep effect op de samenleving. In plaats van de spreekbuis of het verlengstuk van een politieke beweging te zijn, begonnen journalisten zich veel kritischer op te stellen. De internationalisering van de journalistiek speelde daarbij zeker ook een rol. Kritische verslaggeving werd de norm. Het publiek mag dan al geloven dat journalisten allemaal in de zak zitten van politici, diezelfde politici zullen je vertellen dat journalisten openlijk vijandige slangen zijn, die hen te pas en te onpas saboteren.

David Perlich en Wouter Verschelden schreven deze reeks. Samen maakten ze eerder het boek "Stop De Persen". Sommige thema's en onderwerpen kwamen ook daarin aan bod.

Lees hier de vorige afleveringen. Morgen: "Journalisten: een vreemde kudde"