Nieuws als het abnormale. De gouden eeuw van de journalistiek, deel 6

We blijven nog even kauwen op "wat is nu nieuws?" Deze keer vanuit de klassieke benadering die journalisten zelf hanteren: nieuws is wat, afwijkt, wat het abnormale is. En er speelt nog een heel simpele, praktische factor: (de angst voor) de deadline.

Na de politieke, economische en sociologische benadering, wagen we nog één poging: de antropologische. Journalistiek als deel van het menselijk gedrag. Of vrij vertaald naar het nieuws-proces: ‘Iedereen weet dat het zo is”.

Nieuws draait rond mensen. Mensen maken het, mensen schrijven het, mensen lezen het. Nieuws is diep in onze cultuur en maatschappij geworteld, in onze taal en geschiedenis en in onze perceptie van de wereld. We verhouden ons tot elkaar en geven zin aan onze wereld via patronen, bewust en onbewust; op dan manier waarop de wereld zou moeten zijn. En alles dat niet past in dat patroon, is ‘nieuws’.

Journalisten zijn trots op hun ‘neus voor nieuws’, hun capaciteit om ‘nieuws’ te zien tegen de lawaaierige achtergrond van de wereld. Die eigenschap is veel meer een kunst dan een wetenschap. Het is een geheime code die journalisten zelf niet begrijpen. Als je met journalisten praat, of nog beter, er in dronken toestand mee aan de bar hangt en vraagt hoe ze weten wat nieuws is, krijg je waarschijnlijk als antwoord, “iedereen weet dat”.

Reporters en eindredacteurs praten over ‘buikgevoel’, en denken daarbij niet veel na. En hoe langer ze in het vak zitten, hoe meer ze door collega’s zullen gerespecteerd worden voor hun ‘nieuwsgevoel’.

Journalisten zijn gevoelige en defensieve mensen, trots op hun beroep dat ze vaak zien als een heilige roeping. Dus in plaats van buikgevoel zullen ze het eerder over ‘de feiten’ hebben. Ze willen stukken maken die gebaseerd zijn enkel op ‘de feiten’. Vandaar het oude cliché van de reporter in Amerikaanse films: “Just the facts, Ma’am.” Maar feiten moeten ook geselecteerd, en geordend. Ze hebben betekenis nodig, en ze moeten subtiel gedraaid en gevormd worden, om datgene te maken dat tegelijk de grootste sterkte en de grootste zwakte van nieuws is: een verhaal.

In alledaagse taal praten we over nieuws op deze manier, en zien we ons nieuws zo. We hebben het over ‘nieuwsverhalen’ die we lezen, een stuk, een artikel, een verhaal in de krant. Een verhaal dat op de radio zat. Verhalen hebben een begin, een midden en een einde. Ze hebben een stroom, een tempo, patronen, personages, scènes en besluiten. Dit is belangrijk: we gebruiken deze herkenbare verteltechnieken op onze beurt om verhalen die we van journalisten kregen verder te delen. Verhalen met soms grote impact op onze samenleving: ze kunnen regeringen omverwerpen en staatsgrepen veroorzaken.

Nu hebben journalisten het door de band gewoon veel te druk om even te gaan zitten en een potje te filosoferen over de aard van hun nieuwsinstinct. En sociologie slaagt er niet in om een uitleg te vinden, want de meeste sociologen zijn geen journalisten en waren het nooit, en kennen ‘de code’ dus ook niet. Maar er zijn wel enkele patronen.

De meeste redacties zijn homogeen. De reporters hebben dezelfde huidskleur, komen van dezelfde middenklasse, hebben allemaal min of meer dezelfde opleiding, rijden met dezelfde soort wagens, leven in vergelijkbare huizen en hebben een zeer gelijklopend levenspatroon. Dat helpt natuurlijk als je als groep een ‘code’ ontwikkeld. Elke morgen komen de reporters bijeen en kijken ze of ze iets gezien hebben dat het patroon dat zijzelf snappen, doorbreekt: dat niet kopt. En dat wordt dan ‘nieuws’.

Dus ‘Hond bijt man’ is geen nieuws, we verwachten het. ‘Man bijt hond’ is dan weer wel voorpaginanieuws, het doorbreekt het patroon. Een gelukkig huwelijk is geen nieuws. Overspel wel. Politicus die de waarheid vertelt: geen nieuws. Liegen is nieuws.

De premier een homo, is dat nieuws?

Een journalist hoopt dus op het onverwachte. Daarom zijn incidenten, vliegtuigcrashes, moordaanslagen, ontsporingen van treinen nieuws. Het geeft een redactie elke dag iets te doen. Maar het gaat dieper. Veel journalisten zullen je zeggen dat ze het moeilijk hebben met verhalen over ongeluk en tragedie. Drama’s die nu eenmaal ‘in de krant moeten’, of 'meteen op het scherm moeten'.

Alleen, dat verdriet wordt deel van het verhaal. Het is een soort rituele vorm van verhalen opbouwen, met een eigen ritme en cadans. Eerst is er de schok, het drama zelf. Dan is er de rouw, de droefheid, die het drama inkapselt en weer tot een ‘normaal’ patroon maakt. En af en toe is er dan nog het meta-debat: hebben we het als pers goed gedaan of gingen we te ver? Vaak is dat het moment waarop met modder naar de concurrentie gegooid wordt, terwijl iedereen zichzelf prijst. De dood van Steve Stevaert is een klassiek voorbeeld, waar je gerust heel dit schema op kan toepassen. Het klopt tot in de details.

Als je je ooit hebt afgevraagd waarom ‘nieuws’ altijd ‘slecht nieuws’ is: dit is de hoofdreden. Iemand zaagt het hoofd van een dakloze aan het Zuidstation in Brussel eraf? Groot nieuws. Wat goed functioneert, vangt de interesse niet. Al wat ons begrip over hoe de wereld werkt verstoort, dat is nieuws.

Tegelijk bepaalt onze cultuur die patronen, en wat daarbij ‘grensverleggend’ en dus nieuws is. En die culture codes kunnen ook nieuws temperen, onderdrukken.

Laat ons een gekend voorbeeld nemen, dat van de voormalige eerste minister Elio Di Rupo (PS). Iedereen weet dat hij homo is. Maar het was nooit een issue toen hij premier werd. Daarmee bedoelen we: de Belgische pers vermeldde de seksuele geaardheid van de eerste minister destijds zeer zelden, hoogstens terloops als hij op de Gay Parade opdook. En toen een homo vermoord werd omwille van zijn geaardheid, reageerde de premier ook niet feller of emotioneler als was hij hetero.

De Belgische pers houdt bijzonder weinig rekening met de seksuele voorkeur van politici. Met wie iemand het bed deelt, hoe zijn/haar seksualiteit hem/haar als persoon beïnvloedt of hoe het een effect heeft op de beslissingen die hij/zij neemt; het haalt de pers niet. Nooit. Zelfs de goedkoopste, laagste publicaties of websites vermelden het niet. Het is simpelweg cultureel onaanvaardbaar. Heel af en toen zijn er uitzonderingen, die dan striemende kritiek krijgen.

Dezelfde situatie in Canada of Groot-Brittannië zou als erg nieuwswaardig beschouwd worden. Meer zelfs, het zou in de huidige context waarschijnlijk als een overwinning van gelijke rechten gezien worden, iets waar we als maatschappij allemaal trots op moeten zijn, het hoogtepunt van een culturele transformatie – overigens is Di Rupo ook zoon van een migrantenfamilie, iets wat in de Angelsaksische pers ook uitgebreid zou gevierd worden als een ‘historische gebeurtenis’. Niet zo in België.

Een Britse of Canadese premier zou interviews moeten geven over het onderwerp, hij zou moeten praten over hoe moeilijk het was als jonge homo, wat toen al zijn aspiraties waren, hij zou praten over welke ‘boodschap’ dit stuurt naar alle jonge holebi’s. Duidelijk een andere aanpak, omwille van cultuur.

En het kan nog anders natuurlijk. In de Verenigde Staten zou een dergelijke situatie, een homo als president of presidentskandidaat, een bikkelharde strijd veroorzaken in de pers. Elke bedpartner die hij ooit had, zou kunnen geïnterviewd worden. Elke bar waar hij ooit een man had ontmoet bezocht. Elk ranzig detail zou omgespit worden om onder de aandacht te brengen, doorzocht en geanalyseerd. De pers zou waarschijnlijk in twee kampen uiteenvallen: diegenen die het geweldig vinden en diegenen die het veroordelen. Van ‘held’ tot ‘abnormaal’.

Nieuws als maker van een nationalistisch sentiment

Nieuws kan dus patronen en visies in onze samenleving versterken en bevestigen. In Canada of de Verenigde Staten krijg je regelmatig een verhaal over ‘natives’, de Indianen – een woord dat in de Verenigde Staten overigens cultureel onaanvaardbaar is - , die succesvol een zaak begonnen zijn, een boek hebben geschreven of professor geworden zijn. Impliciet zijn deze verhalen nieuws, omdat het tegen de assumptie ingaat, het doorbreekt het patroon. “Wow, Indianen kunnen succesvol zijn”, terwijl dit natuurlijk een latente vorm van racisme is.

Net zo goed geldt de vraag: tot welke groep behoor je? Vlaamse kranten en televisiezenders spreken regelmatig over ‘ons land’, of ‘bij ons’, of ‘hier’, als ze Vlaanderen bedoelen en niet België. Het staat zelfs letterlijk in de doelstellingen van de VRT: Vlaanderen als de referentie, als de culturele toetssteen. Op die manier verander je op lange termijn de visie van alle inwoners én van het nieuws. Wallonië wordt hoe langer hoe meer als het buitenland gezien.

Het is slechts lichtjes overdreven te stellen dat Belgen alleen Belgen zijn in hun kranten als er succes gevierd moet worden. Een Olympische medaille, een nieuwe koning, een succesvolle macht van de Rode Duidels.

En ook in ons nieuws zie je soms het vreemde effect van die ongeschreven regel. De kleinste verwezenlijking van een Vlaming of Belg buiten onze landsgrenzen – iemand is CEO geworden, krijgt een mooi voetbalcontract bij een topclub, exposeert in New York – en we schatten dat als ‘nieuwswaardig’ in. Het succes van ‘wereldberoemde Vlamingen’, - vaak mensen waar niemand buiten ons land ooit van gehoord heeft – wordt breed uitgesmeerd in de weekendbijlagen van onze kranten. Het past in een vastgeroest denkpatroon: het is nog steeds ongewoon als landgenoten succes hebben in het buitenland. En dus is het nieuws.

Samengevat zijn er dus meer dan genoeg theorieën die verklaren wat nieuws tot nieuws maakt. Geld, macht, relaties, patronen, of rituelen. Maar er is nog één sterk aspect: angst. De angst voor de deadline.

Het grootste keukengeheim van nieuws: tijd, of het gebrek eraan

Je hebt pas angst gezien als je ooit een journalist hebt aanschouwd die tegen de klok, 15 minuten voor de deadline, nog de helft van een voorpagina moet schrijven. Er bestaat in televisie geen ergere nachtmerrie dan te weten dat je zo meteen ‘live’ moet gaan terwijl je verhaal niet klaar is. Volwassen mannen hebben oog in oog gestaan met de Taliban zonder te knipperen met de ogen, maar diezelfde mannen schreeuwen als schoolmeisjes, als ze de verpletterende deadline zien naderen.

Dit is misschien wel het grootste keukengeheim over hoe nieuws in onze krant of op televisie raakt: tijd – of het gebrek eraan.

Waarom dat een verhaal op de voorpagina belandt, of de opening van het 7 uur journaal wordt, is zelden het resultaat van een gebalanceerde afweging, op basis van complexe criteria om vast te stellen dat het belangrijk nieuws is. Vaak staat het daar omdat iets anders mislukt is, omdat er op het allerlaatste een ‘gat’ viel, omdat er dringend nog iets omgegooid moest worden. De steekpartij in Antwerpen was niet per se beter nieuws dan het nieuws over de vakbonden bij de spoorwegen.

Neen, de in het zweet badende eindredacteur riep allerlei verwensingen en besliste daarop dat, wanneer de helft van het land om klokslag 7 uur de televisie zou aanzetten, ze niet naar een leeg scherm zouden staren. Een of andere idioot verloor de tape met de video erop. Of de reporter is al naar huis en niemand weet waar het artikel opgeslagen zit. Of een jonge journalist kraakt onder de druk en slaagt tussen de tranen door er niet in zijn stuk af te werken.

Voor kranten betekent het missen van de deadline een verlies van duizenden euro’s. Want de vrachtwagens voor het transport van de kranten staan stil, omdat de drukkerij niet op tijd klaar raakt. Het vreemde is dat reporters niet veel lijken te geven om dat geld: financiële argumenten – “je kost de krant geld” – gaan nooit boven een eindredacteur die briesend aan een desk staat en kopij eist.

Tijd bepaalt in grote mate de journalistiek. Een minister van Onderwijs die niet terugbelt en dan plots om 22.14 uur aan de lijn hangt, staat niet in de krant – misschien nog in een latere, extra editie. Het is niet makkelijk om beide kanten van het verhaal te geven, als een van beide kanten niet thuis geeft. En je deadline missen is echt de absolute doodzonde in de journalistiek. Het geldt als de catastrofale mislukking waarover collega’s binnen een aantal jaar nog zullen praten.

Tijd is dus een gigantische factor. Of liever, wás dat. In het digitale tijdperk vervaagt tijd, net zoals plaats en hiërarchie: oude regels maken plaats voor nieuwe; flexibiliteit, en het nieuws zelf verandert mee.

Nemen we het Vaticaan als voorbeeld. Niet echt de plaats waarvan je zou denken dat de digitale revolutie er heeft toegeslagen. Toen paus Benedictus XVI opstapte en paus Francis verkozen was, kregen we wat we gerust ‘Het Twitter Conclaaf’ kunnen noemen. Elke ‘Vaticanista’ – een journalist die verslag brengt over het Vaticaan – die naam waardig, stuurde gedurende heel het conclaaf door nieuws rond via Twitter, van minuut tot minuut. Geen krant, radiostation of televisiezender wachtte op hun reguliere uitzenduur om het nieuws te verslaan. In tientallen talen vertelden journalisten hun verhaal, letterlijk op het moment dat het gebeurde. Uitzendingen voor televisie gebeurden soms letterlijk vanuit de ‘Facetime’-applicatie op een Iphone, radioshows liepen live via een ISDN-app op een gewone Samsung-smartphone. Tijdens persconferenties van de Heilige Stoel waren journalisten aan het bloggen en tweeten, terwijl het voor hun ogen gebeurde. Nieuws in een paar zinnen, dat meteen gepubliceerd voor heel de wereld, een seconde nadat de journalist op ‘verzenden’ duwde. Vandaag gebruiken reporters hun telefoon als camera, als autocue, als verbeteringsmachine.

En het waren niet alleen de journalisten: het Vaticaan ging mee, tot verbazing van velen. Bekendmakingen en bulletins kwamen netjes via email in de mailbox van de Vaticanisti terecht. Het Vaticaan bood van elke gebeurtenis realtime videobeelden aan, gratis en live op de website, en meteen vertaald in een dozijn talen. Achtergrondbriefings, die normaal gezien weken of maanden op zich lieten wachten, kwamen plots in PDF-formaat, binnen de seconde.

De gedateerde krant

Dat alles maakt kranten vandaag gedateerd, soms zelfs nog voor ze in de brievenbus vallen. Het nieuws is dan al uren oud en veranderd. Hetzelfde geldt voor radio en televisie. Iedereen die geïnteresseerd is in een verhaal kan het meteen online te pakken krijgen, in plaats van te moeten wachten op een nieuwsuitzending.

Die innovatie gaat met een ongelofelijke snelheid. En het is geen geplande transformatie, elke maand komt er wel iets nieuw bij. Het gaat om honderden experimenten op kleine schaal, die elk op zich het verhaal van een journalist sneller, beter en breder verspreid bij het publiek brengen. Journalisten passen zich aan, zoals ze altijd gedaan hebben. Een nieuwe app om video bestanden te sturen? Probeer het vanavond en stuur je materiaal meteen naar de redactie. Of op je laptop al meteen een stukje monteren voor het journaal? Dan hoef je niet meer naar de montagecel.

Het werkritme van reporters is totaal veranderd. De tijd dat krantenjournalisten naar politici konden bellen tot half vijf in de namiddag op hun bureau in de Wetstraat en dan vervolgens weer rond acht uur, als ze thuiskwamen, is nog maar 20 jaar geleden. Vandaag bel of sms je meteen. Of beter nog, een politicus legt tijdens een belangrijke vergadering gewoon zijn smartphone discreet op tafel, en de journalist luistert gewoon mee. Het lunchgesprek vindt nog steeds plaats, maar de sms’jes zijn minstens even handig geworden om smeuïge details te pakken te krijgen. En de scoops zelf draaien vaak ook rond technologie: afluisterschandalen, informatie die via fout gezonden emails lekt, of bergen data op een geheugen stick. Wiki-leaks is zonder twijfel een fusieproduct van journalistiek en de nieuwe technologie.

En reporters zijn niet langer aan de plaats gebonden. Ze hoeven zelfs niet meer op de redactie te komen, ze kunnen nieuwsstukken maken duizenden kilometers daar vandaan. Tijdens het laatste Vaticaanse conclaaf volgde een van de bekendere Amerikaanse journalisten het hele gebeuren vanuit zijn woonkamer ergens in de Mid-West. Hij deed zijn interviews met gezagsdragers via Skype, mail of telefoon, haalde alle beeld en geluid van het net, verzamelde alle geruchten via het net en checkte ze met zijn bronnen, en zette vervolgens al die info om in prachtige verhalen op zijn blog.

Critici zullen hier tegenover stellen dat dit de kwaliteit van de journalistiek ondergraaft, dat het verlies aan menselijk contact leidt tot luie verslaggeving. En toch tonen studies aan dat de kwaliteit van journalistiek er net op vooruit gegaan is. Ten minste als technologie gebruikt wordt op de best mogelijke manier.

Iedereen die ooit een tijd op een deftige redactie heeft doorgebracht, zal erkennen dat journalistiek correcter, eerlijker, rijker en met meer perspectief gebracht wordt doordat informatie zo overvloedig en onmiddellijk beschikbaar is. Twijfel of onduidelijkheid vergt vaak slechts één email of telefoontje ter bevestiging. Informatie kan sneller opgevraagd en verwerkt dan ooit tevoren. De enige limieten zijn ambitie en fysiek uithoudingsvermogen.

David Perlich en Wouter Verschelden schreven deze reeks. Samen maakten ze eerder het boek "Stop De Persen". Sommige thema's en onderwerpen kwamen ook daarin aan bod.

Lees hier de vorige afleveringen. Morgen: De cast van The Huffington Post