De case van Huffington Post. De gouden eeuw van de journalistiek, deel 7

Wat leren we van nieuwkomers zoals The Huffington Post? Tien jaar geleden bestond de site nog niet, vandaag zit ze wereldwijd. Heel hun model heeft de journalistiek grondig doorheen geschud, en de mee de methode en aanpak van online journalistiek bepaald.

Nieuws op het net bestaat ondertussen twintig jaar. In die twintig jaar is nieuws, hoe het gemaakt wordt en hoe we het consumeren helemaal mee veranderd. De digitale revolutie is niet meer dan een prille dertiger, maar de kleuter-, kinder- en puberjaren zijn razend interessant geweest. Het zijn de jaren waarin concepten werden bedacht en manieren van werken uitgetekend, die tot vandaag door zinderen als het over online nieuws gaat.

Iedereen kent ondertussen wel het geschiedenislesje: het internet ontstaat in de jaren ’60 als obscuur netwerk van verbonden prehistorische computers en wordt vervolgens uitgebouwd door universiteiten en het Amerikaanse leger, die vrezen bij een atoomaanval data te verliezen. In de jaren ’80 maakt het net een eerste sprongetje, doordat de National Science Foundation een nieuwe ruggengraatstructuur financiert en commerciële spelers mee het net beginnen uit te bouwen. Van in de jaren ’90 begint dan de grote sprong voorwaarts, en raakt het net op een paar jaar tijd ingeburgerd in het dagelijks leven.

Vandaag valt het nauwelijks nog in te beelden dat het internet niet zou bestaan. In 1995 zag de wereld er nog helemaal anders uit. Toen schatte men het aantal gebruikers tussen de 20 en 30 miljoen. President Bill Clinton beloofde toen in een opmerkelijke toespraak dat binnen het jaar alle middelbare scholen in Californië internet zouden krijgen. In Europa was er nog lang geen sprake van zo’n ontwikkeling, email en websurfen waren nog complete nieuwigheden.

Tijdens die eerste grote golf van het web - en later de eerste internet-bubbel - draaide het surfgedrag allemaal om de zogenaamde portaal-sites, sites waarbij de uitbater zich positioneert als een toegangspoort, een ‘portaal naar andere sites op het net’. Zulke sites bieden typisch een zoekmachine aan, maar ook gratis email en chat rooms. Yahoo is misschien wel het bekendste voorbeeld van zo’n site, maar er was ook Excite, Netvibes, Naver, Altavista en een pak anderen.

De economische strijd in die eerste golf draaide dan ook rond de portaalsites. Iedereen wilde een deel van de koek: oprichters van de nieuwe sites, producenten van software zoals Microsoft - dat vandaag MSN en Hotmail in handen heeft -, of de kabelmaatschappijen, die internet aanboden en meteen ook voor hun klanten hét portaal op het net wilden zijn. Zo was de site van America Online, AOL.com, een grote portaalplaats en lanceerde mediagigant Walt Disney met Go.com een soortgelijke concurrent, net als Prodigy van IBM en @Home van AT&T.

De tijd van Skynet en andere

Proximus (toen nog Belgacom) slaagde er in België in om met Skynet een grote portaalsite uit te bouwen, Telenet probeerde met Zita.be hetzelfde. Kabel- en telefoonlijnen zijn nog altijd dé simpelste manier om iedereen aan te sluiten op het net. En Belgacom eiste meteen ook een deel van de consumentenmarkt online op, met succes. Skynet en MSN van Microsoft zijn bij ons nog steeds de grootste portaalsites, ze staan vandaag nog altijd in de top-vijf van meeste clicks per dag.

Zelf ook ‘nieuws’ brengen werd een logische volgende stap voor de portaalsites. Zo bouwde Yahoo een indrukwekkende nieuwsredactie uit, en specialiseerde het zich in financieel nieuws, voor particuliere beleggers. De portaalsites begonnen, in een hevig opbod met elkaar en bestaande nieuwsmerken die zachtjes online aan het venster kwamen kijken, veel gratis content aan te bieden. Journalistiek zou gefinancierd kunnen worden door de miljoenen potentiële klanten die dagelijks op het portaal zouden langskomen, was de redenering. Zolang ze maar eerst en vooral bij jouw portaal langskwamen.

In 2000 en zeker na de aanslagen in New York in september 2001 spatte de dot-com zeepbel helemaal uiteen. Plots was het investeringsgeld op. Ambitieuze plannen gingen naar de prullenmand en één voor één verdwenen de online nieuws-initiatieven. Yahoo is vandaag een van de weinige blijvers op de portaalmarkt.

In de Angelsaksische markt zijn portaalsites vandaag een behoorlijk verouderd fenomeen, maar in de rest van de wereld niet. Zo zie je in Rusland, China en India nog grote delen van de online-markt in handen van dit soort sites. Vreemd is dat niet, want ze hangen erg samen met de ‘eerste keer’ op het net gaan: je komt terecht op de site van je provider of het bedrijf dat je software leverde.

De nieuwsfilosofie van de portaalsites was, om mild te blijven, ‘eerder grijs’ te noemen. “Smijt maar wat nieuwsberichten samen die zoveel mogelijk mensen aanspreken en het lukt wel”, is wat de portaalsites moeten gedacht hebben. En natuurlijk is het verdedigbaar om met een laagdrempelige aanpak en populaire thema’s als sport of showbusiness een publiek te bouwen. Alleen heb je net zo goed dan ook een ziel, een concept nodig voor je nieuwsmerk. Die bloedeloosheid maakte dat de portaalsites nooit echt journalistiek van de grond kwamen.

Na het uiteenspatten van de bubbel begin 2000 gedroegen de sites zich hoogst voorspelbaar: ze saneerden de boel zodanig dat er van journalistiek nauwelijks nog sprake was. En dat voel je tot vandaag. Skynet, MSN of Zita zijn geen sites waar je warm van wordt, het blijven duidelijk computergegenereerde samenraapsels van andere redacties, zonder echt de ziel of de lijn die we gewoon zijn van nieuwsmerken.

Niet toevallig zijn, in de Angelsaksische markt, de overblijvers van dat tijdperk diegenen die zich net onderscheiden hebben, en iets begonnen aan te bieden dat exclusief was, anders en onderscheidend van het bestaande aanbod. Zo is Yahoo Finance een heel lucratief en succesvol onderdeel van het Yahoo-aanbod geworden. En net daarin onderscheiden ze zich met hun eigen journalistiek, met origineel werk.

Aggregatie: good, bad of ugly?

Nochtans was dat niet meteen wat portaalsites en een pak nieuwkomers in de online nieuwsmarkt deden, toen ze zo’n 15 à 10 jaar geleden op de markt kwamen. Integendeel zelfs. Ze specialiseerden zich in iets wat klassieke mediabedrijven en krantenredacties vandaag zien als misschien wel hun ergste vijand: aggregatie.

Aggregatie komt erop neer dat je origineel journalistiek werk van iemand of verschillende publicaties bewerkt, samenvoegt of filtert. Knip- en plakjournalistiek, om het oneerbiedig te zeggen. Vaak gaat het om inhoud die ergens in een klassieke publicatie verschenen is en dan door een ander online nieuwsmerk snel op het net gegooid wordt. Voorstanders zien het als een logisch gevolg van de filosofie van het internet en spelers zoals Google: informatie moet vrij beschikbaar zijn. Tegenstanders noemen het pure diefstal.

Natuurlijk is dit fenomeen niet nieuw in de journalistiek: aggregatie bestaat al zo lang de journalistiek bestaat, alleen niet onder die naam. Krantenredacties werken sinds jaar en dag op basis van persagentschappen zoals Belga, Reuters of Associated Press. Soms publiceren ze die berichten de volgende dag in de krant, maar vaak zijn ze ook de inspiratie om zelf nog een paar telefoons te doen of een reporter uit te sturen om zelf een verslag te maken.

Net zo goed zijn de ochtendvergaderingen van kranten het moment waarop reporters andere kranten gelezen hebben en inspiratie hebben opgedaan uit wat de concurrentie die dag brengt. Voor radiostations of televisiemakers geldt dat nog meer: ze sturen meer dan eens reporters uit op basis van wat de kranten die dag als nieuws brengen.

Aggregatie is dus niet nieuw. Alleen heeft de digitalisering de snelheid waarmee, en de veelvuldigheid waartegen het gebeurd, laten exploderen. In de oude, analoge wereld duurde het minstens één dag voordat de concurrerende kranten konden springen op nieuws die primeurwaarde had. Zo had je altijd één dag voorsprong, als je tenminste hard bleef werken op je ‘eigen nieuws’. Nieuwscycli liepen typisch over 24 uur: pas ’s ochtends kwamen de kranten weer uit met nieuws dat verder ging op dat van de vorige dag.

In een digitale context geldt dat natuurlijk niet meer: van een voorsprong is nauwelijks nog sprake. Alles was ‘breaking news’ is, is meteen beschikbaar voor iedereen. Grote scoops of onthullende primeurs zijn meteen nadat ze bekend gemaakt zijn niet langer ‘exclusief’, ze worden meteen overgenomen door andere nieuwsmerken. Vandaag is aggregeren een veelkoppig monster geworden, dat heel de logica van de nieuwscyclus onderuit haalt.

In die nieuwe logica verschenen plots online-spelers. Merken als Yahoo, uit de portaal-periode, maar ook Nu.nl in Nederland of The Huffington Post in Amerika. Zonder band met een papieren krant, zonder de bagage en de regels van een print-redactie stortten die zich op online nieuws. Daarbij werd aggregatie een integraal deel van het businessmodel: waarom immers investeren in duur, eigen journalistiek werk, als je naar hartelust kan ‘overnemen en bewerken’ van andere redacties?

David Perlich en Wouter Verschelden schreven deze reeks. Samen maakten ze eerder het boek "Stop De Persen". Sommige thema's en onderwerpen kwamen ook daarin aan bod.

Lees de andere delen van de reeks hier. Morgen: Google, de "frenemy"