“Neen, de jeugdcriminaliteit stijgt niet”

!

Dit artikel werd gemaakt door een van onze bezoekers. Wil je reageren of zelf een artikel schrijven in onze Zoo, be our guest! Lees hier het hoe/wat/waar of begin er meteen aan.

Op 28 juli vond in Antwerpen een steekpartij plaats waar onder meer twee 13-jarigen bij betrokken waren. In een artikel van De Morgen spreken experts “over een stijging van gewelddadige feiten en de steeds jongere leeftijd van de daders.” “Maar die bewering klopt niet”, reageert HCA Oost-Vlaanderen, dat met slachtoffers en jonge delinquenten werkt.

De eerste reactie van HCA Oost-Vlaanderen, een vzw die inzet op alternatieve maatregelen voor minderjarige delinquenten, verscheen op sociale media. In een Facebookbericht liet HCA weten het niet eens te zijn met het oordeel dat jongeren steeds vaker gewelddadige feiten plegen, en dat op steeds jongere leeftijd. “Uit eigen ervaring en uit longitudinaal onderzoek van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (het NICC, van FOD Justitie, red.) blijkt dat er een tegenovergestelde trend merkbaar is”, aldus het HCA.

Michaël Bouchez is bemiddelaar bij het HCA. Hij meent dat het artikel uit De Morgen over de steekpartij in Antwerpen te ongenuanceerd is. “Er worden professionals aan het woord gelaten die met deze feiten geconfronteerd worden. Eerst wordt er gezegd dat gewelddadige feiten niet uitzonderlijk zijn, even later stelt men dat het volgens experts wel degelijk een uitzondering is. Uit onderzoek, eigen ervaring en uit contact met de parketten en andere hulporganisaties weten we dat er een dalende trend is.”

Wat zeggen de cijfers?

Bij criminele feiten met minderjarige daders gaat het om ‘als misdrijf omschreven feiten’ (MOF). De meest recente cijfers rond jeugddelinquentie van het NICC dateren uit 2015, en werden bijgehouden door alle Belgische jeugdparketten. Daaruit blijkt dat er een daling merkbaar is in het aantal MOF-zaken dat werd geregistreerd.

Volgens de statistieken van het Openbaar Ministerie waren er in 2010 in heel België 82.941 MOF-zaken gekend. In 2011: 79.565. In 2012: 63.290. In 2013: 59.780. In 2014: 58.819. En in 2015 nog maar 57.160. In 2015 was het grootste deel van de daders, zo’n 47.500 gevallen, tussen de 14 en 18 jaar. In ongeveer 45.000 gevallen ging het om mannelijke daders, ook een ruime meerderheid dus.

Wat de zwaarte van de feiten betreft: bij 44% ging om ‘misdrijven tegen eigendom’, waarvan 35% verschillende vormen van diefstal. Slagen en verwondingen komen op de tweede plaats met 15% en daarna komen verstoring van de openbare orde en drugsfeiten. De meest gewelddadige feiten zijn volgens de cijfers echter uitzonderlijk: in 2015 waren 60 gevallen bekend van moord, doodslag en onopzettelijke doding. Er waren ook 4.700 gevallen van diefstal met geweld en 1600 gevallen van aanranding en verkrachting.

Volgens Bouchez moeten die cijfers in de juiste context gezet worden. “De berichtgeving gaat soms te kort door de bocht. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen ‘eigen indrukken’ en de cijfers. Ten tweede moet men bewust zijn van de gevolgen van uitspraken over ‘dé jongeren’, zij lezen deze artikels ook. Ten slotte beïnvloedt die berichtgeving ook het veiligheidsgevoel. Wij horen de echo’s hiervan vaak in gesprekken met slachtoffers.”

Het voorval in Antwerpen blijft natuurlijk wel de trieste realiteit. “Uiteraard gebeuren er drama’s waarbij jongeren betrokken zijn. Onze eerste bekommernis is de vraag wat de gevolgen zijn voor de betrokkenen.”

Bemiddeling of straf?

Alle HCA’s in Vlaanderen voorzien vier verschillende soorten dienstverlening: herstelbemiddeling, herstelgericht groepsoverleg, leerproject en gemeenschapsdienst. In de eerste twee gevallen nemen daders en slachtoffers vrijwillig deel aan de bemiddelingsgesprekken, de laatste twee worden aan de verdachte opgelegd door de jeugdrechter en verlopen zonder het slachtoffer. Volgens HCA kan elke dader aan bemiddeling deelnemen, ook als hij of zij reeds in vrijheid gesteld is.

“Wat ons opvalt, is dat er steeds meer dossiers binnenkomen voor bemiddeling met slachtoffers en met minderjarige daders” zegt Bouchez. “Bij feiten gepleegd door meerderjarigen, zien we dat bemiddeling minder vaak voorkomt. Dat heeft te maken met de specifieke regelgeving voor minderjarigen. Misschien zijn we ook sneller geneigd om bij jongeren een pedagogisch aanbod te doen omdat we hopen dat ze leren uit hun fouten.”

De stijging van het aantal dossiers is volgens Bouchez een positieve trend. “Het toont aan dat we als samenleving meer de vraag stellen hoe we zinvol kunnen reageren op misdrijven. Bemiddeling is voor zowel daders als slachtoffers een moeilijke zaak. Een directe of zelfs indirecte confrontatie met elkaar is niet vanzelfsprekend want er is vaak wantrouwen. Toch beseffen ze dat de antwoorden op hun vragen bij de andere partij liggen. Maar vaak kunnen ze dit niet alleen, ze hebben een derde, neutrale partij nodig”, besluit Bouchez.

© 2018 – StampMedia – Stef Vananderoye