Regisseur Koen Mortier stelt ‘Engel’ voor, een mooie liefdesfilm die over veel meer gaat dan de dood van Frank Vandenbroucke

Op woensdag 19 september verschijnt ‘Engel’ in de cinema, de nieuwe film van Koen Mortier. Al weken doet de film nu stof opwaaien, want de familie is niet opgezet met de film over “de dood van Frank Vandenbroucke”. Wij zagen de film al en zagen iets compleet anders dan een film over de dood van Frank Vandenbroucke, we zagen een mooie romance tussen twee zielen die hopen een nieuw begin in hun leven te vinden bij elkaar.

‘Engel’ is de verfilming van ‘Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten’, de roman van Dimitri Verhulst. Voor Verhulst is het de derde van zijn romans die aan het beeld wordt toevertrouwd, voor Mortier is het zijn derde film. Wij gingen met Mortier rond de tafel zitten om met hem van gedachten te wisselen.

Koen Mortier: Na het lezen van het boek van Dimitri was ik niet zodanig gefixeerd op dat stukje realiteit dat hem de inspiratie had gegeven voor dit verhaal, maar ik wilde het verhaal vertellen van twee mensen die van een totaal andere sociale achtergrond komen, waarvan de ene alle kansen heeft gekregen in het westen, rijk is en aanbeden wordt. En aan de andere kant een jonge prostitué die eigenlijk niks heeft, behalve haar lichaam en de mogelijkheid om dat lichaam te verkopen. Dat zit ook in het boek, maar ik wilde dat nog extra versterken.

Iedereen die naar de film kijkt ziet: dit is een liefdesverhaal. Het gegeven Vandenbroucke is eerder bijkomstig, lijkt me.

Mortier: Ik wilde sowieso het verhaal van Vandenbroucke niet exploiteren. Het idee van twee mensen die samenkomen, waarbij alle grenzen wegvallen terwijl zij op geen enkel moment beseft wie hij is: dat vond ik wél allemaal interessant. Het verhaal is niet toevallig vanuit haar kant verteld en vanuit zijn kant meegemaakt. Je krijgt dus een liefdesfilm die ook spanning en angst toefluistert. Je voelt aan alles: dit loopt niet goed af. Dat zit in de muziek, in de manier van filmen.

Een romanticus die gelooft in de liefde

Je zei dat je de dood van Vandenbroucke niet wil exploiteren. Er zijn artikels verschenen in bijvoorbeeld Dag Allemaal waarin de dochter stelt dat je precies dat wel doet. Hoe voel je je daarbij?

Mortier: Ik vind dat een nogal bizarre beschuldiging aangezien je 200.000 artikels kan vinden over zijn dood. Ik had een interview geweigerd aan Dag Allemaal, ik vind het erg dat bladen als deze die drijven op sensatie dan toch blijven zoeken naar een andere oplossing en de familie gaan gebruiken. Ik vond het een vorm van lijkenpikkerij wanneer men de prostituee die bij Vandenbroucke was geweest in de gevangenis ging interviewen, terwijl Frank nog niet eens begraven was.

Ik denk dat mijn film een mooie film is. Ik voel me niet aangevallen, want het is een aanval van mensen die zich een inbeelding maken van het soort film dat ik gemaakt heb, maar volgens mij is het een ander soort film geworden.

Toen ik het las dacht ik ook: ga misschien eerst eens kijken en formuleer de eventuele kritiek nadien.

Mortier: Weet je, er zijn zelfs heel veel mensen die in Thierry, zoals het personage in de film heet, geen Vandenbroucke herkennen. Die wel de achtergrond mee hadden, maar het type Vandenbroucke niet in het personage herkenden en er tijdens het kijken, zeiden ze me, nooit aan hem gedacht hebben. Dat toont allemaal aan hoe relatief het allemaal maar is. De film is ook vertoond voor het filmfestival van Toronto, daar hebben ze nooit van Frank Vandenbroucke gehoord hé.

Ik heb alle respect voor die familie, ik heb zelf vier kinderen en ik kan vermoeden dat het héél zwaar is om een kind te verliezen. Of een vader. Maar er is ook zoiets als creativiteit en artistieke vrijheid en de dood van Frank Vandenbroucke was het graantje voor het boek van Dimitri en het graantje van mijn film. Ik heb veel geld in die film gestopt en vijf jaar van mijn tijd. Het doet deugd om de film eens beoordeeld te zien als film.

Toen de filmplannen bekend werden reageerde de moeder dat haar zoon toch ook veel mooie dingen had gepresteerd. “Waarom moeten altijd de minder fijne kanten worden belicht?” vroeg ze zich af. Maar de mens die we in de film zien vind ik een mooi mens. Een romanticus die gelooft in de liefde.

Mortier: Dat is ook zo. Vandaar: de veronderstelling die zij maken is gelieerd aan de waarheid die zij kennen. Ik vertel ook zijn leven niet, ik heb geen biopic gemaakt.

Zelf materiaal in elkaar lassen

Ik zou het graag over de muziek hebben. Ik was gedurende de hele film ook aan het denken “Wat een sublieme muziek!” En dan zag ik bij de aftiteling dat de soundtrack gemaakt is door Soulsavers. Ze hebben enkele van mijn favoriete platen gemaakt, maar zijn niet zo gekend bij het grote publiek. Vertel eens, hoe ben je bij hen terecht gekomen?

Mortier: Het eerste nummer dat ik van Soulsavers kende was ‘Wiseblood’ uit het album ‘Broken’ (2009), maar het is de plaat ‘Kubrick’ (2015) die mij tot bij hen heeft gebracht voor deze film. Voor het schrijfproces begint zoek ik altijd intens naar muziek. Toen ben ik op ‘Kubrick’ gevallen, maar ook op de Canadese componist Charles Ives (1874-1954) en het nummer ‘Central Park In The Dark’ (1906). In dat nummer is de spanning te snijden. Romantische muziek die dan weer overhelt naar iets gevaarlijk. Dat heb ik later aan Soulsavers ook aangegeven als belangrijk element voor het maken van de soundtrack.

Ik ben dan de muziek van Soulsavers beginnen gebruiken om te schrijven en dan hebben Rich Machin en ik elkaar uiteindelijk ontmoet. Ik heb in Londen de film voorgesteld aan hem en het klikte meteen tussen Rich en mezelf. We hebben een fantastische dag gehad, zijn de ganse nacht op stap geweest en hebben dan over allerlei dingen gepraat, ook over muziek.

We hebben elkaar weinig gezien, hebben een paar keer gebeld en toch begrepen we elkaar vanop afstand. Het was heel fijn samenwerken, we begrepen elkaar meteen en ik heb het gevoel dat ik er een vriend bij gekregen heb. We drinken allebei graag wijn, eten allebei graag, koken allebei graag en ik weet zeker dat ik ‘m op elk moment kan opbellen om te vragen of we samen op stap gaan in Londen.

Jullie hebben ook effectief grotendeels in Senegal gedraaid. Hoe was dat?

Mortier: Ze draaien daar vier films op een jaar. Er is daar geen industrie zoals wij die tegenwoordig kennen, het is meer behelpen, maar de drive van de mensen die daar aan filmproductie doen is wel enorm.

Het gaat er wel helemaal anders aan toe dan bij ons: eerst moet het scenario gelezen en goedgekeurd worden door het Ministerie van Cultuur en vanaf dan krijg je een vrijgeleide om te filmen in gans het land. Natuurlijk moest alles wel besproken worden en iedereen op de hoogte gesteld worden, maar als we in Senegal wilden filmen in bijvoorbeeld een gevangenis en we zwaaiden met die brief, dan kregen we tenminste niet meteen een “neen”.

Ik vond het een schitterend land. Het is een moslimland, maar iedereen is er positief en open-minded. Het was een fijne periode. Het is natuurlijk behelpen, want er is geen materiaal dus we moesten ons eigen materiaal bijvoorbeeld in elkaar lassen. Maar dat avontuurlijke aspect was ook wel eens leuk.

We zijn nu al de hele tijd over Frank Vandenbroucke bezig, maar in feite is de film wel het verhaal van twéé mensen: van Thierry, de wielrenner (Vincent Rottiers) en van Fae (Fatou N’Diaye), de gazelle. Haar kende ik niet. Waar heb je haar gevonden?

Mortier: Ik heb geen audities georganiseerd. Ik had Vincent gevraagd om de broer te spelen, maar die wilde de hoofdrol. En op een bepaald moment heb ik dan ook ingezien dat dat eigenlijk de geknipte rol was voor hem. Hij is gespierd en krachtig, maar hij heeft ook iets nostalgisch.

Voor de rol van Fae had ik eerst een andere actrice op het oog, maar die vond ik niet passen bij Vincent. Ik ben dan beginnen zoeken op het internet en ben uiteindelijk op Fatou gevallen, maar toen ik haar uiteindelijk ontmoette vond ik dat ze te verlegen was, te weinig uitstraalde. Ze was te introvert.

Ik heb haar dan nog eens ontmoet in Parijs en ik had vooraf de instructie gegeven aan haar agent dat ze zich moest kleden en voelen alsof ze al in die rol zat. Vincent was er toen ook in Parijs. Fatou kwam daar aan en ze straalde. Vincent viel bijna van zijn stoel. (lacht) “Dju, elle est belle” zei hij en toen dacht ik: “Dit moet het zijn.” Vincent voelde zich bijna vanuit zichzelf tot haar aangetrokken en toen wist ik “Dit kan je vertalen naar het scherm.”

De film is nog maar net bezig wanneer Fae zegt “Ik hou niet van het woord hoer. Het doet afbreuk aan wie ik ben.”

Mortier: Ik vond het heel belangrijk om een sterke vrouw neer te zetten. Ik wilde het personage ook losweken van de prostitutie. Je mag nooit denken: “Eigenlijk is het maar een hoer.” Je moet aan haar denken als een persoon.

"Je kan niet houden van wat je niet kent"

Thierry vertelt over hoe hij op zijn fiets iemand anders wordt. Heb jij dat ook als je een film aan het maken bent en voelt dat het geweldig wordt?

Mortier: Ik heb ook nog duatlon gedaan, heel veel gefietst in mijn leven. Dat gevoel van één te worden met je fiets: ik ken dat. Maar ik herken het inderdaad op de set. Een set is nog het best te vergelijken met een mierennest van 60 mensen, maar het is ook een machine waar iedereen perfect op elkaar is afgesteld. Ik ben een deel van die machine, ik moet ze soms bijsturen, maar uiteindelijk ben je wel deel van een geheel van mensen die zich allemaal richting hetzelfde doel bewegen. Dat zien, dat beseffen: dat is mooi. Professioneel ben ik enkel gelukkig tijdens de draaiperiode zelf. Want schrijven is afzien, het geld zoeken is nog harder afzien en je film presenteren is nog meer afzien.

Het wordt er niet makkelijker op om een film als deze gemaakt te doen krijgen hé?

Mortier: Je botst heel vaak op beperkingen, ook financiële beperkingen. Je moet voortdurend bijsturen. Vallen en opstaan. Verwachtingen voor cijfers heb ik niet. Echt niet. Het is moeilijk in Vlaanderen om een auteursfilm te maken. Of uit te brengen. In de “kineplexen” zoals ik ze noem worden voornamelijk Amerikaanse commerciële films geprojecteerd en je hebt heel weinig alternatieven.

Eigenlijk zou er een afspraak moeten bestaan op ministrieel niveau dat de VRT de projecten die met ondersteuning van het VAF ontwikkeld werden, een gelijkwaardige mediasteun krijgen. Een vast aantal keer de trailer op het scherm en idem ditto voor radioreclame. Op die manier zou arthousecinema toch een klein stukje marketing krijgen zodat je op zijn minst de kans krijgt om gezien te worden. Cultuur moet gepromoot worden. Wees eens eerlijk: zitten we echt te wachten op de volgende superheldenfilm?

In Nederland heb je een heel circuit van arthousecinema’s, bijna 150 geloof ik. Bij ons heb je er een paar. “Er is geen publiek voor”, hoor je dan, maar dan is het probleem ofwel dat de kineplexen het publiek verknald hebben, ofwel dat er meer aandacht moet komen voor film in het onderwijssysteem. Waarom krijg je wel kunstgeschiedenis en geen filmopvoeding? Twee of drie films per jaar die buiten het commerciële genre vallen. Om aan te tonen dat er nog iets anders is. Je kan niet houden van wat je niet kent.

 

Lees meer