Jacle Bow pakt uit met hun tweede album 'Whatever You Might Find', een betere en rijkere plaat dan het debuut

Er zijn twee jaar verstreken sinds Jacle Bow op de proppen kwam met hun debuutplaat ‘What’s All The Mumble About’. Ze scoorden de ene radiohit na de andere en de vijf singles uit die plaat kwamen allen in De Afrekening terecht. Nu is er ‘Whatever You Might Find’, een plaat met een meer voldragen sound die zich tot één van de hoogtepunten mag rekenen van het lopende muziekjaar. Een babbel met leadzanger Jonas en drummer Joris.

Jonas Bastijns: Op een optreden onlangs is iemand ons komen zeggen dat je op de eerste plaat nog heel erg hoorde waar we zelf graag naar luisteren terwijl we nu meer een eigen sound hebben gevonden. De tweede plaat is ook veel eclectischer, veel meer open. We vinden ze zelf meer volwassen.

Joris Thys: Er staan meer rustige nummers op ook. En als we hard gaan is het ineens ook vol erop. Terwijl de eerste plaat meer op het samenspelen en op de groove was gericht hebben we hier ook meer geëxperimenteerd met klanken. Meer nieuwe dingen uitgeprobeerd. Ik vind het ook een logische evolutie. De tweede plaat van een groep zou toch altijd beter moeten zijn dan de eerste. Omdat je groeit en evolueert als groep.

© Warner Music

Jonas: Experimenteren kwam in de periode van de eerste plaat gewoon niet in ons op. Er is niks mis met basic rock-‘n-roll, maar het mocht deze keer ook iets meer zijn dan basic gitaar, drum en bas.

Waardoor jullie live nu met z’n vijven zijn.

Jonas: We hadden nu echt een toetsenist extra nodig om heel veel van de arrangementen die in de plaat zitten te kunnen spelen. We hebben daar wel meteen raak mee geschoten, met die Frank Oliver James op de toetsen. En het maakt ook dat we live meer verscheiden en in mijn ogen ook interessanter zijn geworden. Vroeger speelde ik op elk nummer gitaar, nu zijn er drie of vier nummers in de set waar ik alleen maar zing.

Volle bak open

Ik heb zelf veel muziek leren kennen door mijn vader. Op een bepaald moment ben ik diens platencollectie beginnen doorworstelen door één voor één die platen af te spelen. Zijn er zo nummers die je nog eens voor de allereerste keer zou willen kunnen horen? Onbevangen, zonder dat je weet wat er komen gaat?

Joris: Goeie vraag, man!

Jonas: (denkt na) Ik denk dat als dingen écht écht goed gemaakt zijn…ik denk nu aan bepaalde dingen van The Stones, die verliezen hun magie nooit, denk ik. Ik weet ook nog waar ik was de eerste keer dat ik Electric Feel van MGMT hoorde. En ik had dat ook de eerste keer dat ik Fuck You hoorde van Cee-Lo Green, maar die nummers ben ik daarna wel wat beu geraakt. Het is alleszins nooit meer hetzelfde geworden.

De plaat eindigt met een cover, Jump Into The Fire van Harry Nilsson. Ik begrijp waarom het achteraan staat: de plaat eindigt met een knal. Is het een nummer dat jullie al lang kennen?

Jonas: We zijn het anderhalf jaar geleden of zo live beginnen spelen. Ik ben een vrij extreme fan van John Lennon en blijkbaar was die heel goed bevriend met Harry Nilsson. Ik kende al wel wat nummertjes van ‘m, maar toen ik dat las ben ik me in hem gaan verdiepen. Ik ben dat nummer tegengekomen en ik vond dat meteen, zelfs op plaat, bruisen van de energie. Ik voelde ergens wel dat het iets voor ons was, we hebben het dan eens proberen spelen op repetitie en live is dat alleen maar gegroeid. Uiteindelijk hebben we dan besloten om het ook op de plaat te zetten. Het is met twee drums ingespeeld, Mario Goossens doet ook mee.

Joris: Toen we één van de eerste keren de plaat gingen luisteren bij Warner, ons label, waren we nog wat over de volgorde aan het discussiëren. We hebben dat nummer daar ook volle bak open gedraaid op het systeem daar en dat was zo leuk. (lacht)

Hoe is het om naar jullie eigen muziek te luisteren?

Jonas: Het went. Het is zoals jezelf op de radio horen. De eerste keer zweef je. Televisie vind ik nog altijd wel wat raar omdat we dat nog niet vaak gedaan hebben.

Willy Willy: uniek mens, levensgenieter

Hoe gaan jullie om met de snelheid waarin de muziekindustrie draait vandaag? Ik heb het gevoel dat alles nog veel sneller gaat dan twee jaar geleden.

Joris: We merken wel dat het moeilijker is om aandacht te vragen. Misschien omdat alles vluchtiger gaat.

Jonas: Wij zijn Roméo Elvis niet die een clip kan opnemen en een paar dagen later een miljoen views heeft. Bij ons gaat het allemaal wat trager, maar ik vind wel dat we ons eigen ding moeten blijven doen. We hebben een goeie plaat gemaakt en we proberen zo goed mogelijke shows te spelen en dat is ons verhaal. Studio Brussel is belangrijk, maar we mogen ons daar ook niet op blind staren. Bij RTL zien ze ons ook graag en op Classic 21 worden we echt heel veel gedraaid. Studio Brussel is niet de enige manier om voet aan de grond te krijgen als groep of artiest. Het live-circuit is ook heel belangrijk om een fanbase op te bouwen.

Joris: Af en toe krijgen we zelfs nog berichten via Facebook van fans die ons zien spelen hebben toen we – nog voor de eerste plaat – een tournee hebben gedaan door Amerika en die ons vragen “Wanneer kom je nog eens terug?” Dat is echt wel fijn. Het is bijna drie jaar geleden en we zijn dan toch ergens blijven hangen.

Jonas: We kunnen er nog niet veel over zeggen, maar er komt wel een toffe kans aan waar we binnenkort ook weer wat aandacht mee kunnen gaan krijgen. Een coole campagne die we gaan ondersteunen.

Joris: Enkel de muziek is te weinig geworden om aandacht te krijgen. Er moet een verhaal rond die muziek gebouwd worden.

Eén van die acties waardoor jullie op een bijzondere manier om aandacht vroegen in het verleden was de ‘Artists For India’-actie voor De Warmste Week 2016. Willy Willy was één van de mensen die daar toen speelde. Als je zo’n dicht contact hebt gehad met iemand, al was het maar één keer, dan kijk je toch anders naar het nieuws van een overlijden, denk ik.

Jonas: Het was een heel lieve mens, echt. En ne zot. (lacht) Ik herinner me nog een leuk moment waarin we gewoon een tas koffie aan het drinken waren op repetitie. Hij zat daar met een klein tasje koffie en daar deed hij zes suikerklontjes in. “Ik ben nogal een zoetebekje”, zei hij toen. (lacht) En toen hij vertrok die dag stapte hij in zijn auto, rolde z’n raampje omlaag en riep “The Scabs op de radio! Rock-‘n-roll mannen!” En toen is hij vertrokken. Een unieke mens. Levensgenieter.

Raymond

Op de nieuwe plaat speelt ook een legende mee: Raymond van het Groenewoud speelt toetsen op In Time.

Joris: Dat was via Karel, onze gitarist. Die heeft ook een productiehuis en hij is een documentaire aan het maken over Raymond, naar aanleiding van zeventig jaar Raymond. En viavia is dat zo gekomen.

Jonas: Het idee was om hem backings te laten zingen, maar toen hij in de studio kwam bleek hij ook nog een extra arrangement klaar te hebben voor bij op het nummer. Het was niet voorzien, maar nu zit er dus een heel mooi pianosolootje in. Een beetje kinderlijk, mooi naïef, wat Velvet Underground-achtig. Hij zingt ook nog backings, maar je hoort het bijna niet.

Joris: Hij is blijkbaar een grote Velvet Underground- en Lou Reed-fan. En dan heeft hij zelf voorgesteld om in de AB mee te komen spelen op onze releaseshow waar we er dan nog meteen How Do You Think It Feels van Lou Reed ook nog achterna hebben gegooid.

Jonas: Een redelijk atypische keuze, maar hij wilde een donker nummer van ‘Berlin’ spelen. Er staan er bijna geen andere op, natuurlijk. (lacht)

Hoe gaat jullie schrijfproces eigenlijk? Hebben jullie een vast stramien?

Joris: Het meeste begint bij Jonas die de nummers akoestisch in elkaar steekt. Maar soms doen we ’t ook als band. Het begin van Whatever You Might Find heb ik geschreven. Ik heb dat meegebracht naar repetitie en daar heeft Jonas dan het refrein geschreven. Hideaway is een nummer van Karel. Maar meestal start het bij Jonas.

De gemiddelde song op ‘Whatever You Might Find’ is langer dan de gemiddelde song op ‘What’s All The Mumble About’. Een bewuste evolutie of is het gewoon zo gebeurd?

Jonas: Ik denk dat het een gevolg is van wat we eerder zeiden: het debuut was meer popgericht, hier was er meer ruimte voor experiment en dat heeft soms de bovenhand gehaald op de drie- vierminuten-grens. Op een concert is dat ook leuker om te spelen omdat dat meer diepgang in zit. Arctic Monkeys en Blur waren hier wel muzikale invloeden en dat zijn ook bands die blijven evolueren.

Eerlijker in interviews

Noem eens een invloed op Jacle Bow die niemand zou verwachten.

Jonas: Ik vind Tom Barman een heel interessante songschrijver. Die heeft zo veel verschillende dingen gedaan en het is altijd goed. Het is wel een voorbeeld van hoe ik m’n carrière zou willen uitbouwen.

Joris: Ik wil INXS wel eens noemen. Eigenlijk horen wij ook echt graag goeie jaren 80-popmuziek. George Benson, Paul Carrack en zo. Het is zo op het randje van te glad.

Ik vind zelf George Michael geweldig.

Jonas & Joris: Ja, wij ook!

Jonas: En er zit toch ook wel wat rock-‘nroll-attitude in zijn nummers. Luister maar eens naar Freedom bijvoorbeeld.

Oh, en Burt Bacharach wil ik ook nog wel noemen. De grote kunstenaar der arrangementen. Tegenwoordig hoor je dat minder en minder, zulke rijke melodieën. Soms is de muziek zelfs infantiel in mijn ogen: EDM doet het met zo weinig mogelijk melodie. Als je dat naast The Everly Brothers of Simon & Garfunkel legt… ‘Bridge Over Troubled Water’ is een kunstwerk. En ik zie een tendens in de muziek naar minder kunst en dat het meer een product is geworden waar net iets te goed over is nagedacht. Soms zelfs een wegwerpproduct. ‘Lost In The Dream’ van The War On Drugs is nog een kunstwerkje, maar het is wel zeldzamer aan het worden heb ik het gevoel. Of ben ik nu cynisch?

Ik denk dat we dat pas binnen 20 jaar gaan kunnen zeggen, als de tijd gefilterd heeft.

Jonas: Ja, dat klopt misschien wel. Het hoeft ook niet altijd zo serieus te zijn. Als ik op een fuif ben en ik hoor Casanova van Ultimate Kaos dan schiet ik ook los. (lacht)

© Caroline Delongueil

Kan je zeggen waarom jullie een goeie groep zijn?

Jonas: Als je samen in een groep zit lijk je wel een getrouwd koppel hé. Joris en ik hebben zelfs drie jaar samen gewoond. Ik denk dat elk lid van Jacle Bow vrij complementair. Ik heb ooit nog sociaal werk gestudeerd en daar heb ik geleerd dat je vier types mensen kan onderscheiden: doeners, denkers, dromers en beslissers. Wij hebben drie van die vier, misschien zelfs vier, types in onze groep.

Joris: Ik vind dat tof, groepke zijn. Toch een beetje een jongensdroom. Een beetje elkaar afzeiken en een pintje drinken. De ene is wat serieuzer dan de andere en het is ook hard werken, maar het is in de eerste plaats leuk.

Jonas: Nooit opgroeien. Zoals Willy Willy getoond heeft. Zolang je iets doet wat je graag doet gaat het nooit écht als werk aanvoelen, denk ik. En dat zou ik graag willen behouden.

Tot slot: is er nog iets dat jullie al jarenlang dolgraag in een interview willen vertellen, maar waar niemand ooit al achter gevraagd heeft?

Jonas: Het rare aan interviews is dat je zo weinig weet van de interviewer. Het doel is: informatie vergaren.

Joris: Ik zou graag wat eerlijker zijn over het interview zelf. We hebben al vaak moeten nadenken vandaag en dat is leuk. Dus ik zou hier en nu willen zeggen: ik wil nooit meer de vraag “Van waar komt jullie naam?”

Op zondag 7 april speelt Jacle Bow in Het Depot in Leuven. Tickets voor die show zijn hier verkrijgbaar. Op 25 april speelt de band in de Muziekodroom in Hasselt. Tickets voor die show zijn hier te vinden.

Lees meer