Authenticiteit, ontroering en gitaarsolo’s die Neil Young het vuur aan de schenen legden: Jason Isbell gaf het ons allemaal

Authenticiteit, ontroering en gitaarsolo’s die Neil Young het vuur aan de schenen legden: Jason Isbell gaf het ons allemaal

Voor de komende eindejaarslijstjes zijn we al een en ander terug aan het oprakelen, kwestie van ons geheugen op te frissen en zeker niets of niemand te vergeten. Aan het begin van de zomer bracht Jason Isbell samen met zijn band The 400 Unit ‘The Nashville Sound’ uit. Qua titel niet de meest geïnspireerde plaat van het jaar, maar wél één van de allermooiste.

Was het al een prachtige plaat, het concert was er eentje van de memorabele soort. Een concert van het soort waarbij je achteraf weer weet waarom je ’t allemaal doet: de trein op die 25 minuten vertraging heeft gehad (echt waar!), de concertzaal in waar dan steevast een boom van een vent voor je komt staan waardoor je jezelf in bochten moet wringen om een glimp op te vangen van wat er op het podium gebeurt. Een optreden als dat van Jason Isbell maakt het dat allemaal waard.

Authenticiteit. Dat is het woord dat het vaakst in ons opkwam toen we naar Isbell stonden te kijken en luisteren. Jason Isbell blijft dicht bij zichzelf in zijn songs. Bij zijn gedachten. Zijn leefwereld. Want écht doorleefd zingen kan je alleen maar over wat je zelf kent. Het siert hem. In 2012 trokken zijn vrouw, zijn manager én Ryan Adams aan de alarmbel en lieten Isbell opnemen om af te kicken van de alcohol. Tijdens zijn tijd bij Drive-By Truckers, waar Isbell tot 2007 deel van uitmaakte, hield hij nogal van Jack Daniel’s en van cocaïne, met alle gevolgen van dien. Over de wederopstanding zong hij op de prachtplaat ‘Southeastern’.

De gelaagde anekdote over een stripster

Hoewel hij in Hope The High Road zingt “I’ve sang enough about myself/So if you’re looking for some bad news/You can find it somewhere else” (een politieke song) verwijst hij af en toe nog wel naar die moeilijker periode. Zijn concert in de AB trapt hij af met het stevige Anxiety, het nieuwe nummer dat het meest in de letterlijke zin over de angst gaat om alles opnieuw te verliezen en is daarmee de perfecte opener voor een avond waarin Jason Isbell ons een inkijk geeft in zijn leven en zijn gedachten.

Isbell is van Alabama, iets waar hij trots op is en dat hij regelmatig benadrukt en dat wil ook zeggen dat zijn laatste jaar een Trumpjaar was. Nergens verwijst hij er letterlijk naar, maar in Hope The High Road en in White Man’s World verwijst hij er wel naar op een niet mis te verstane manier. Isbell wordt nooit letterlijk politiek, maar wie tussen de regels kan lezen, vindt het wel.

Zo vertelt hij ook een anekdote over die keer dat hij met de groep in een concertzaal moesten spelen die aanpaalde aan een stripclub. Ze moesten zich omkleden in de stripclub wegens gebrek aan een kleedkamer en Isbell zag een stripster die heel de tijd met haar rug naar de zaal stond te dansen. Later bleek ze hoogzwanger te zijn. De zaal lag in een deuk, maar wij hoorde de tristesse in het verhaal. Toen Isbell dan nog ietwat cynisch aanvulde dat de stripster nog geluk had omdat er in Alabama (waar hij vandaan komt) helemaal geen stripclubs en geen jobs waren, waren we toch weer blij dat we niet in Amerika leefden en dat wij iets hebben dat sociale zekerheid heet.

Licht, hoop, optimisme

Het is niet de enige keer dat hij ergernis weg grapt. Ergens halverwege het optreden neemt hij tussen twee nummers “enkele rockposes” aan om te poseren voor mensen die het nodig vinden om foto’s te nemen met flash. Het stoort ‘m duidelijk – en terecht – maar hij kiest ervoor om de ergernis te ontmantelen met humor.

Het is typerend voor Isbell: hij gaat de pijn in zijn teksten niet in de weg, maar altijd is er ook een vleugje licht, hoop of optimisme. Een eigenschap die hij deelt met Springsteen. In het schitterende White Man’s World trekt hij zich bijvoorbeeld op aan zijn dochtertje. Daar wil hij het nog allemaal voor doen. In het prachtige If We Were Vampires grijpt hij het besef van sterfelijkheid aan om nog harder van zijn echtgenote te houden. Als we ooit naar een openingsdans zouden zoeken: onze keuze is gemaakt.

Het zou allemaal melig kunnen zijn, maar niet als je Jason Isbell heet, een geweldig tekstschrijver bent en in elke seconde op het podium een grote oprechtheid legt. Als Jason een verhaal vertelt, dan wordt er geluisterd. Ieders hart breekt tijdens Tupelo en het lijkt wel alsof we die avond ook aanwezig zijn in de kamer wanneer hij het over de olifant in de kamer heeft in Elephant.

Het zijn de zachtere nummers waarmee hij vanzelfsprekend het meest ontroeren kan. Zo is er ook het altijd intense Cover Me Up en wordt er door heel de zaal heel zachtjes meegezongen tijdens Last Of My Kind, een nummer dat gevoelens van melancholie en eenzaamheid in zich draagt. Erg mooi moment.

Afscheid met Tom Petty

Maar Jason Isbell en zijn 400 Unit kunnen ook rocken. Stevig rocken. Ze kunnen dat zelfs met een accordeon in Codeïne, leggen Neil Youngs Keep On Rockin’ In The Free World het vuur aan de schenen tijdens de vele gitaarsolo’s in Never Gonna Change (het enige nummer van Drive-By Truckers van de avond) en tijdens Cumberland Gap moeten we aan Springsteen denken.

Afsluiten doet Isbell met American Girl van Tom Petty omdat ook schatplichtig is aan Petty. Ryan Adams, Neil Young, Bruce Springsteen en Tom Petty: we hebben ze allemaal al vernoemd. Jason Isbell mag zonder blozen aansluiten in dat rijtje.

Gesponsorde artikelen