Left Right
scrollTop top

De onderwijsfinanciering anders bekeken


De onderwijsfinanciering anders bekeken

De nieuwe Vlaamse overheid wil minder werkingsmiddelen geven aan de universiteiten, stond onlangs in de krant De Morgen. Volgens de rectoren van de universiteiten Antwerpen, Leuven en Hasselt zal dat leiden tot een verhoging van het inschrijvingsgeld. Op welke manier universiteiten deze terugval van subsidies moeten opvangen, laat ik in het midden. Er steekt weliswaar een meer fundamentele vraag op, namelijk die van het financieringsmodel van ons hoger onderwijs. Aan de ene kant is het aantal studenten spectaculair gestegen. Anderzijds is de publicatiedruk voor professoren sterk gestegen.

Aangezien de middelen van de overheid niet oneindig zijn en er ook nog andere noden zijn die geledigd moeten worden (zoals bij welzijn, de economie,…)moet de regering moeilijke keuzes maken. Als men deze argumenten in acht neemt, stelt zich de vraag of de financiering van het hoger onderwijs niet op een efficiëntere manier georganiseerd kan worden zodat het betaalbaar, toegankelijk en duurzaam blijft.

Aanbodsubsidies

Het huidige financieringsmodel vertrekt vanuit aanbodsubsidies. Dat betekent dat de overheid aan de universiteiten en hoge scholen de subsidies geeft. Een dergelijke financiering komt niet alleen voor bij onderwijs, maar de overheid past dit toe op de meeste subsidies die ze geeft.

Er zijn wel enkele substantiële problemen bij aanbodsubsidies. Professoren en rectoren klagen al jaren over te weinig aandacht in kennis en te veel in bakstenen. In de welzijnssector zijn er eveneens problemen. Dit kan je duidelijk opmaken uit de wachtlijsten die ondanks hogere investeringen blijven oplopen. Beide voorbeelden tonen aan dat het aanbod meestal niet afgesteld is aan de bijbehorende vraag met alle gevolgen van dien.

In verschillende landen is er reeds afgestapt van dit systeem (bv. Verenigd Koninkrijk) of is de overheid dit van plan (bv. Nederland). In de plaats daarvan geeft de overheid subsidies rechtstreeks aan de studenten en ouders. Daarnaast is men ook op zoek gegaan naar meer private financiering om het hele systeem betaalbaar te houden. Deze verandering van zowel de aard als de bron van financiering heeft enkele voordelen ten opzichte van het huidige systeem.

Betaalbaarheid op lange termijn

Ten eerste kan een verhoging van het inschrijvingsgeld doorgevoerd worden. Op die manier spreekt men rechtstreeks de gebruikers aan. Dit lijkt een onrechtvaardige maatregel die het hoger onderwijs ontoegankelijk maken, maar dat is het hoegenaamd niet. Via het Mattheus-effect betaalde de middenklasse relatief tot hun belastingbijdrage te weinig. Via een verhoging zou dit effect gemilderd of teniet gedaan worden. Op die manier zouden universiteiten uit beter gegoede klassen uit onze maatschappij meer middelen kunnen vragen.

Daarnaast kan er onder universiteiten meer concurrentie ontstaan. Dit hoeft niet te leiden tot een prijzenoorlog. Geen enkele (grote) universiteit in Vlaanderen was ooit of is een profitorganisatie. Er is geen enkel aanwijzing dat deze organisatie dit zouden willen in de toekomst. Bovendien heeft concurrentie enkele voordelen. Universiteiten worden aangezet om efficiënter te werken. Dit kan zorgen voor een specialisatie van de universiteiten in één of meer richtingen, wat zorgt voor een verhoging van de kwaliteit.

Het lijkt immers niet verantwoord om aan 3 of 4 universiteiten een richting aan te bieden waar in totaal slechts 30 of 40 studenten aan beginnen. De universiteit Antwerpen en Vrije Universiteit Brussel bieden beiden een opleiding wiskunde  aan, maar moeten nu al samenwerken opdat er genoeg studenten zouden zijn. Daarenboven zouden nog enkele  administratieve diensten samengevoegd of nog verder gedigitaliseerd kunnen worden.

Dit zijn twee mogelijke manieren om meer middelen te verwerven of de bestaande middelen efficiënter in te zetten. Daarnaast moeten we blijven waken dat het hoger onderwijs toegankelijk blijft voor iedereen die het niveau aankan. Hierbij zijn mechanismes die de studenten en ouders direct steunen duidelijk beter aangewezen dan het huidige model. Buitenlandse voorbeelden kunnen dit bevestigen. Er zijn verschillende mogelijkheden.

Toegankelijkheid bewaren

Om te beginnen kunnen leningen aangeboden worden.  Deze leningen kan de overheid verschaffen, maar ook vanuit de private sector kunnen er initiatieven genomen worden met de eventuele steun vanuit de overheid. Men kent dit systeem reeds in Zweden en men wil het ook overnemen in Nederland. Private banken kunnen studentenleningen aanbieden en eenmaal de student afgestudeerd is, kan die zijn schuld terugbetalen. De cijfers bewijzen dat mensen die gestudeerd hebben aan een hogeschool of universiteit substantieel meer verdienen dan iemand die enkel een middelbaar diploma heeft. Dus het loont de moeite om voor veel studenten om een zelfs met een lening hogere studies af te leggen. 

Daarenboven kunnen er ook fondsen worden opgericht om studenten een beurs aan te bieden. In eerste instantie kan er gedacht worden aan de universiteiten zelf. Die kunnen via de inschrijvingsgelden en andere middelen goedkope beurzen aanbieden aan minder gegoede studenten, zoals vroeger het geval was met de beurzen van de ‘Universitaire stichting’. Het grote voordeel hierbij is dat men een resultaatsverbintenis kan koppelen aan de lening.  Naast universiteiten zouden ook andere bestaande non-profit of social-profit organisaties leningen kunnen aanbieden. Dit zouden reeds bestaande organisaties kunnen zijn of men kan daar organisaties voor oprichten die zich hier op toe richten met of zonder winstoogmerk.

Als laatste is ook de aanwending van geld uit de private sector een mogelijkheid. In veel sectoren zijn bedrijven op zoek naar geschikte, hooggeschoolde mensen. Het kan zowel een voordeel bieden voor de studenten als één of meerder private bedrijven of een sectorfederatie als de privésector deels of  volledig de studierichting betaalt. Dit kan enerzijds studenten aanmoedigen om deze richting te volgen omdat die relatief goedkoper is, anderzijds hebben bedrijven dan een grotere kans om personeel met een geschikt profiel te vinden.

Noodzakelijke voorwaarden

Er zijn wel enkele randvoorwaarden die moeten vervuld worden opdat deze doelstellingen gerealiseerd kunnen worden. De belangrijkste is namelijk politiek moed. Een voormalig politicus zei ooit dat er ‘vijf minuten politiek moed’ nodig was om Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen. Achteraf gezien bleek dat wel een hardere noot om te kraken dan verwacht. Onderwijs zal een nog zwaardere opdracht zijn. Het gaat hier immers niet alleen om onze toekomstige welvaart, maar ook om de toekomstige generaties. Bovendien is het relatief goedkope onderwijs voor de middenklasse een verworvenheid en die zijn nu eenmaal heel moeilijk af te nemen.  Een andere randvoorwaarde is de hoge belastingdruk voor bedrijven. Men kan pas verwachten dat bedrijven gaan investeren in onderwijs als die belastingdruk verlicht wordt. Het voordeel echter is dat die bedrijven het geld veel effectiever zouden kunnen inzetten.

Deze koerswijziging, van enerzijds publieke naar private financiering en anderzijds van een aanbod gedreven onderwijs naar een vraag gedreven onderwijs , is essentieel om de kwaliteit en duurzaamheid van ons hoger onderwijs te vrijwaren. Voor beleidsmakers en politici zal het heel moeilijk zijn om het grote publiek van deze verandering te overtuigen. Toch tonen buitenlandse voorbeelden aan dat deze veranderingen mogelijk en noodzakelijk zijn. Met de vergrijzing die steeds meer van het budget zal opeisen, de groeiende staatsschuld, de noden binnen basis en secundair onderwijs,…, zullen politici gedwongen worden om in te grijpen zodat er nog een goede toekomst is voor onze kinderen.


Deze artikelen kunnen u misschien ook interesseren…


Corona Virus Update

  • Wereld
  • Aantal
    besmettingen
    42.983.766
  • Aantal
    doden
    1.153.553
  • België
  • Aantal
    besmettingen
    321.031
  • Aantal
    doden
    10.810