Hogere inschrijvingsgelden aan de unief: wat is daar de bedoeling van?

Hogere inschrijvingsgelden aan de unief: wat is daar de bedoeling van?

De Vlaamse regering moet besparen, en ook de onderwijssector wordt getroffen: 80 miljoen euro minder voor het hoger onderwijs. Slim genoeg heeft de regering de hete aardappel doorgeschoven naar de hogescholen en universiteiten zelf: ze mogen ‘kiezen’ waar ze besparen. In de praktijk zijn er weinig andere opties dan het inschrijvingsgeld te verhogen. De vraag is: wat wil de regering daar eigenlijk mee bereiken?

Als hogescholen en universiteiten minder inkomsten hebben, kunnen ze kiezen hoe ze dat oplossen: door minder uit te geven of door het verlies aan inkomsten te compenseren door andere inkomsten te verhogen, in casu het inschrijvingsgeld.

Minder geld uitgeven betekent besparen op personeel of onderzoek, zowel voor Rik Torfs (KULeuven) als Luc De Schepper (UHasselt) geen optie. 

Hoe dan ook valt de lagere middenklasse uit de boot: ze verdienen net te veel om een beurs te krijgen, maar de verhoging van het inschrijvingsgeld is wel serieus voelbaar. Voor sommigen net haalbaar, zij het met besparingen voor het gezin, voor anderen niet. De kans zit er dan ook in dat meer studenten hun studie moeten combineren met een job. Wat overigens de slaagcijfers ook geen goed doet – en dus ook de maatschappelijke kost niet. 

En wat met de jongeren die niet gaan studeren? Werk zoeken op een arbeidsmarkt die steeds vaker een diploma hoger onderwijs vraagt, wordt moeilijk. Ja, we hebben nood aan geschoolde arbeiders, maar het is niet omdat unief of hogeschool jou niet ligt, dat handenarbeid je wél ligt. Willen we dan echt zo graag een generatie die gedwongen zit in een job of richting die voor hen niet geschikt is? Als maatschappij word je daar niet gelukkiger van – met alle gevolgen vandien. 

De slachtoffers

Al is wel de vraag wat er gebeurt met de jongeren die de studie wel aankunnen, maar het niet kunnen betalen. Logisch zou zijn dat de beurzen niet alleen worden toegekend op basis van inkomen van de ouders maar ook op score van de toelatingsproef. Daar lijkt voorlopig geen sprake van te zijn. Hier en daar worden andere voorstellen geopperd: hogere prijs voor bijkomende diploma’s bijvoorbeeld. 

Hoe dan ook valt de lagere middenklasse uit de boot: ze verdienen net te veel om een beurs te krijgen, maar de verhoging van het inschrijvingsgeld is wel serieus voelbaar. Voor sommigen net haalbaar, zij het met besparingen voor het gezin, voor anderen niet. De kans zit er dan ook in dat meer studenten hun studie moeten combineren met een job. Wat overigens de slaagcijfers ook geen goed doet – en dus ook de maatschappelijke kost niet. 

En wat met de jongeren die niet gaan studeren? Werk zoeken op een arbeidsmarkt die steeds vaker een diploma hoger onderwijs vraagt, wordt moeilijk. Ja, we hebben nood aan geschoolde arbeiders, maar het is niet omdat unief of hogeschool jou niet ligt, dat handenarbeid je wél ligt. Willen we dan echt zo graag een generatie die gedwongen zit in een job of richting die voor hen niet geschikt is? Als maatschappij word je daar niet gelukkiger van – met alle gevolgen vandien. 

Hoger inschrijvingsgeld zal inderdaad jongeren uitsluiten van hoger onderwijs: omdat ze het geld niet hebben, maar ook omdat (ouders) beslissen het niet te proberen, omdat het risico op slaagkans te klein is. Nu is het omgekeerd: het inschrijvingsgeld is doenbaar en dus redeneren velen: ‘We kunnen het maar proberen’. De slaagcijfers, zeker in het eerste jaar, zijn dan ook echt slecht – en een zware kost voor de maatschappij.

Gecombineerd met de verplichte (weliswaar niet-bindende) toelatingsproef, kan de theorie worden opgebouwd dat de instroom serieus wil worden beperkt omdat ook die jongeren wiens ouders het wél kunnen betalen maar voor wie het er niet zo goed uit ziet, misschien (hopelijk) zullen afzien van ‘het te proberen’. 

Zo wordt dubbel bespaard: rechtstreeks, door de middelen aan de universiteiten en hogescholen te beperken, en onrechtstreeks, doordat er minder jongeren een studie aanvatten, en dan hopelijk vooral minder jongeren voor wie het de foute keuze is.

De slachtoffers

Al is wel de vraag wat er gebeurt met de jongeren die de studie wel aankunnen, maar het niet kunnen betalen. Logisch zou zijn dat de beurzen niet alleen worden toegekend op basis van inkomen van de ouders maar ook op score van de toelatingsproef. Daar lijkt voorlopig geen sprake van te zijn. Hier en daar worden andere voorstellen geopperd: hogere prijs voor bijkomende diploma’s bijvoorbeeld. 

Hoe dan ook valt de lagere middenklasse uit de boot: ze verdienen net te veel om een beurs te krijgen, maar de verhoging van het inschrijvingsgeld is wel serieus voelbaar. Voor sommigen net haalbaar, zij het met besparingen voor het gezin, voor anderen niet. De kans zit er dan ook in dat meer studenten hun studie moeten combineren met een job. Wat overigens de slaagcijfers ook geen goed doet – en dus ook de maatschappelijke kost niet. 

En wat met de jongeren die niet gaan studeren? Werk zoeken op een arbeidsmarkt die steeds vaker een diploma hoger onderwijs vraagt, wordt moeilijk. Ja, we hebben nood aan geschoolde arbeiders, maar het is niet omdat unief of hogeschool jou niet ligt, dat handenarbeid je wél ligt. Willen we dan echt zo graag een generatie die gedwongen zit in een job of richting die voor hen niet geschikt is? Als maatschappij word je daar niet gelukkiger van – met alle gevolgen vandien. 

Democratisering van het onderwijs

Voor Rik Torfs is de stijging van het inschrijvingsgeld onaanvaardbaar. “Het kan ervoor zorgen dat jongeren niet gaan studeren omdat ze het geld niet opzij kunnen zetten”, zegt hij nog in De Morgen. Met andere woorden: de democratisering van het onderwijs komt in het gedrang.

De vraag is echter of dat niet stiekem de bedoeling is. 

Hoger inschrijvingsgeld zal inderdaad jongeren uitsluiten van hoger onderwijs: omdat ze het geld niet hebben, maar ook omdat (ouders) beslissen het niet te proberen, omdat het risico op slaagkans te klein is. Nu is het omgekeerd: het inschrijvingsgeld is doenbaar en dus redeneren velen: ‘We kunnen het maar proberen’. De slaagcijfers, zeker in het eerste jaar, zijn dan ook echt slecht – en een zware kost voor de maatschappij.

Gecombineerd met de verplichte (weliswaar niet-bindende) toelatingsproef, kan de theorie worden opgebouwd dat de instroom serieus wil worden beperkt omdat ook die jongeren wiens ouders het wél kunnen betalen maar voor wie het er niet zo goed uit ziet, misschien (hopelijk) zullen afzien van ‘het te proberen’. 

Zo wordt dubbel bespaard: rechtstreeks, door de middelen aan de universiteiten en hogescholen te beperken, en onrechtstreeks, doordat er minder jongeren een studie aanvatten, en dan hopelijk vooral minder jongeren voor wie het de foute keuze is.

De slachtoffers

Al is wel de vraag wat er gebeurt met de jongeren die de studie wel aankunnen, maar het niet kunnen betalen. Logisch zou zijn dat de beurzen niet alleen worden toegekend op basis van inkomen van de ouders maar ook op score van de toelatingsproef. Daar lijkt voorlopig geen sprake van te zijn. Hier en daar worden andere voorstellen geopperd: hogere prijs voor bijkomende diploma’s bijvoorbeeld. 

Hoe dan ook valt de lagere middenklasse uit de boot: ze verdienen net te veel om een beurs te krijgen, maar de verhoging van het inschrijvingsgeld is wel serieus voelbaar. Voor sommigen net haalbaar, zij het met besparingen voor het gezin, voor anderen niet. De kans zit er dan ook in dat meer studenten hun studie moeten combineren met een job. Wat overigens de slaagcijfers ook geen goed doet – en dus ook de maatschappelijke kost niet. 

En wat met de jongeren die niet gaan studeren? Werk zoeken op een arbeidsmarkt die steeds vaker een diploma hoger onderwijs vraagt, wordt moeilijk. Ja, we hebben nood aan geschoolde arbeiders, maar het is niet omdat unief of hogeschool jou niet ligt, dat handenarbeid je wél ligt. Willen we dan echt zo graag een generatie die gedwongen zit in een job of richting die voor hen niet geschikt is? Als maatschappij word je daar niet gelukkiger van – met alle gevolgen vandien. 

Slimme regering

Een serieuze stijging dus, zeker in België waar hoger onderwijs traditioneel zeer goedkoop is. Het slimme is dat de regering hiervoor niet verantwoordelijk gesteld kan worden omdat de verhoging, technisch gezien, niet haar beslissing was. “Wij krijgen de zwartepiet toegespeeld, ze zetten ons het mes op de keel”, zegt Rik Torfs. Al is in de ogen van het publiek op dit moment wel duidelijk wie de schuldige is: de Vlaamse regering, wat over enkele jaren in verkiezingsdebatten consequent en zonder liegen kan weerlegd worden. 

Democratisering van het onderwijs

Voor Rik Torfs is de stijging van het inschrijvingsgeld onaanvaardbaar. “Het kan ervoor zorgen dat jongeren niet gaan studeren omdat ze het geld niet opzij kunnen zetten”, zegt hij nog in De Morgen. Met andere woorden: de democratisering van het onderwijs komt in het gedrang.

De vraag is echter of dat niet stiekem de bedoeling is. 

Hoger inschrijvingsgeld zal inderdaad jongeren uitsluiten van hoger onderwijs: omdat ze het geld niet hebben, maar ook omdat (ouders) beslissen het niet te proberen, omdat het risico op slaagkans te klein is. Nu is het omgekeerd: het inschrijvingsgeld is doenbaar en dus redeneren velen: ‘We kunnen het maar proberen’. De slaagcijfers, zeker in het eerste jaar, zijn dan ook echt slecht – en een zware kost voor de maatschappij.

Gecombineerd met de verplichte (weliswaar niet-bindende) toelatingsproef, kan de theorie worden opgebouwd dat de instroom serieus wil worden beperkt omdat ook die jongeren wiens ouders het wél kunnen betalen maar voor wie het er niet zo goed uit ziet, misschien (hopelijk) zullen afzien van ‘het te proberen’. 

Zo wordt dubbel bespaard: rechtstreeks, door de middelen aan de universiteiten en hogescholen te beperken, en onrechtstreeks, doordat er minder jongeren een studie aanvatten, en dan hopelijk vooral minder jongeren voor wie het de foute keuze is.

De slachtoffers

Al is wel de vraag wat er gebeurt met de jongeren die de studie wel aankunnen, maar het niet kunnen betalen. Logisch zou zijn dat de beurzen niet alleen worden toegekend op basis van inkomen van de ouders maar ook op score van de toelatingsproef. Daar lijkt voorlopig geen sprake van te zijn. Hier en daar worden andere voorstellen geopperd: hogere prijs voor bijkomende diploma’s bijvoorbeeld. 

Hoe dan ook valt de lagere middenklasse uit de boot: ze verdienen net te veel om een beurs te krijgen, maar de verhoging van het inschrijvingsgeld is wel serieus voelbaar. Voor sommigen net haalbaar, zij het met besparingen voor het gezin, voor anderen niet. De kans zit er dan ook in dat meer studenten hun studie moeten combineren met een job. Wat overigens de slaagcijfers ook geen goed doet – en dus ook de maatschappelijke kost niet. 

En wat met de jongeren die niet gaan studeren? Werk zoeken op een arbeidsmarkt die steeds vaker een diploma hoger onderwijs vraagt, wordt moeilijk. Ja, we hebben nood aan geschoolde arbeiders, maar het is niet omdat unief of hogeschool jou niet ligt, dat handenarbeid je wél ligt. Willen we dan echt zo graag een generatie die gedwongen zit in een job of richting die voor hen niet geschikt is? Als maatschappij word je daar niet gelukkiger van – met alle gevolgen vandien. 

De enige echte optie

Dus moet het geld gehaald worden bij (de ouders van) studenten. Berekeningen van de KULeuven, UHasselt en UAntwerpen (gepubliceerd in De Morgen) wijzen uit dat het inschrijvingsgeld aan hogescholen en universiteiten met 451,8 tot 599 euro (UHasselt) kan stijgen voor niet-beursstudenten. Nu betaal je zonder beurs 619,90 euro. Concreet stijgt het inschrijvingsgeld dus met 73 tot 97 procent, naar respectievelijk 1071,7 en  1218,9 euro.

In De Standaard gaat UGent-rector Ann De Paepe nog wat verder: “Inschrijvingsgeld tot 1.500 euro zal nodig zijn om de 100 miljoen op te brengen die circuleert als te besparen bedrag.”

De hogere stijging aan UHasselt valt te verklaren doordat de unief in verhouding meer beursstudenten telt dan andere uniefs, en ze bijna- en volledige beursstudenten niet willen treffen. Die betalen nu respectievelijk 409,9 euro en 103,9 euro. Of de andere universiteiten en hogescholen dat ook zullen toepassen, of ook hun inschrijvingsgeld (een beetje) zullen verhogen, is niet bekend.

Slimme regering

Een serieuze stijging dus, zeker in België waar hoger onderwijs traditioneel zeer goedkoop is. Het slimme is dat de regering hiervoor niet verantwoordelijk gesteld kan worden omdat de verhoging, technisch gezien, niet haar beslissing was. “Wij krijgen de zwartepiet toegespeeld, ze zetten ons het mes op de keel”, zegt Rik Torfs. Al is in de ogen van het publiek op dit moment wel duidelijk wie de schuldige is: de Vlaamse regering, wat over enkele jaren in verkiezingsdebatten consequent en zonder liegen kan weerlegd worden. 

Democratisering van het onderwijs

Voor Rik Torfs is de stijging van het inschrijvingsgeld onaanvaardbaar. “Het kan ervoor zorgen dat jongeren niet gaan studeren omdat ze het geld niet opzij kunnen zetten”, zegt hij nog in De Morgen. Met andere woorden: de democratisering van het onderwijs komt in het gedrang.

De vraag is echter of dat niet stiekem de bedoeling is. 

Hoger inschrijvingsgeld zal inderdaad jongeren uitsluiten van hoger onderwijs: omdat ze het geld niet hebben, maar ook omdat (ouders) beslissen het niet te proberen, omdat het risico op slaagkans te klein is. Nu is het omgekeerd: het inschrijvingsgeld is doenbaar en dus redeneren velen: ‘We kunnen het maar proberen’. De slaagcijfers, zeker in het eerste jaar, zijn dan ook echt slecht – en een zware kost voor de maatschappij.

Gecombineerd met de verplichte (weliswaar niet-bindende) toelatingsproef, kan de theorie worden opgebouwd dat de instroom serieus wil worden beperkt omdat ook die jongeren wiens ouders het wél kunnen betalen maar voor wie het er niet zo goed uit ziet, misschien (hopelijk) zullen afzien van ‘het te proberen’. 

Zo wordt dubbel bespaard: rechtstreeks, door de middelen aan de universiteiten en hogescholen te beperken, en onrechtstreeks, doordat er minder jongeren een studie aanvatten, en dan hopelijk vooral minder jongeren voor wie het de foute keuze is.

De slachtoffers

Al is wel de vraag wat er gebeurt met de jongeren die de studie wel aankunnen, maar het niet kunnen betalen. Logisch zou zijn dat de beurzen niet alleen worden toegekend op basis van inkomen van de ouders maar ook op score van de toelatingsproef. Daar lijkt voorlopig geen sprake van te zijn. Hier en daar worden andere voorstellen geopperd: hogere prijs voor bijkomende diploma’s bijvoorbeeld. 

Hoe dan ook valt de lagere middenklasse uit de boot: ze verdienen net te veel om een beurs te krijgen, maar de verhoging van het inschrijvingsgeld is wel serieus voelbaar. Voor sommigen net haalbaar, zij het met besparingen voor het gezin, voor anderen niet. De kans zit er dan ook in dat meer studenten hun studie moeten combineren met een job. Wat overigens de slaagcijfers ook geen goed doet – en dus ook de maatschappelijke kost niet. 

En wat met de jongeren die niet gaan studeren? Werk zoeken op een arbeidsmarkt die steeds vaker een diploma hoger onderwijs vraagt, wordt moeilijk. Ja, we hebben nood aan geschoolde arbeiders, maar het is niet omdat unief of hogeschool jou niet ligt, dat handenarbeid je wél ligt. Willen we dan echt zo graag een generatie die gedwongen zit in een job of richting die voor hen niet geschikt is? Als maatschappij word je daar niet gelukkiger van – met alle gevolgen vandien. 

“Door het hoge aantal studenten en doctorandi zitten we al op ons tandvlees.” Nog minder personeel zou de kwaliteit van de begeleiding en de slaagcijfers te veel doen dalen, zegt Torfs in De Morgen

Ook op onderzoek zelf is geen rek om te besparen, legt De Schepper uit. “Geld voor universiteiten heeft strikte bestemmingen.” 

Nee, dit zijn geen opties als er niet wil toegegeven worden op kwaliteit, begeleiding en onderzoek. Slabakkende resultaten zijn immers iets waarvoor de universiteiten en hogescholen al vaker vanuit de politiek op de vingers zijn getikt.

De enige echte optie

Dus moet het geld gehaald worden bij (de ouders van) studenten. Berekeningen van de KULeuven, UHasselt en UAntwerpen (gepubliceerd in De Morgen) wijzen uit dat het inschrijvingsgeld aan hogescholen en universiteiten met 451,8 tot 599 euro (UHasselt) kan stijgen voor niet-beursstudenten. Nu betaal je zonder beurs 619,90 euro. Concreet stijgt het inschrijvingsgeld dus met 73 tot 97 procent, naar respectievelijk 1071,7 en  1218,9 euro.

In De Standaard gaat UGent-rector Ann De Paepe nog wat verder: “Inschrijvingsgeld tot 1.500 euro zal nodig zijn om de 100 miljoen op te brengen die circuleert als te besparen bedrag.”

De hogere stijging aan UHasselt valt te verklaren doordat de unief in verhouding meer beursstudenten telt dan andere uniefs, en ze bijna- en volledige beursstudenten niet willen treffen. Die betalen nu respectievelijk 409,9 euro en 103,9 euro. Of de andere universiteiten en hogescholen dat ook zullen toepassen, of ook hun inschrijvingsgeld (een beetje) zullen verhogen, is niet bekend.

Slimme regering

Een serieuze stijging dus, zeker in België waar hoger onderwijs traditioneel zeer goedkoop is. Het slimme is dat de regering hiervoor niet verantwoordelijk gesteld kan worden omdat de verhoging, technisch gezien, niet haar beslissing was. “Wij krijgen de zwartepiet toegespeeld, ze zetten ons het mes op de keel”, zegt Rik Torfs. Al is in de ogen van het publiek op dit moment wel duidelijk wie de schuldige is: de Vlaamse regering, wat over enkele jaren in verkiezingsdebatten consequent en zonder liegen kan weerlegd worden. 

Democratisering van het onderwijs

Voor Rik Torfs is de stijging van het inschrijvingsgeld onaanvaardbaar. “Het kan ervoor zorgen dat jongeren niet gaan studeren omdat ze het geld niet opzij kunnen zetten”, zegt hij nog in De Morgen. Met andere woorden: de democratisering van het onderwijs komt in het gedrang.

De vraag is echter of dat niet stiekem de bedoeling is. 

Hoger inschrijvingsgeld zal inderdaad jongeren uitsluiten van hoger onderwijs: omdat ze het geld niet hebben, maar ook omdat (ouders) beslissen het niet te proberen, omdat het risico op slaagkans te klein is. Nu is het omgekeerd: het inschrijvingsgeld is doenbaar en dus redeneren velen: ‘We kunnen het maar proberen’. De slaagcijfers, zeker in het eerste jaar, zijn dan ook echt slecht – en een zware kost voor de maatschappij.

Gecombineerd met de verplichte (weliswaar niet-bindende) toelatingsproef, kan de theorie worden opgebouwd dat de instroom serieus wil worden beperkt omdat ook die jongeren wiens ouders het wél kunnen betalen maar voor wie het er niet zo goed uit ziet, misschien (hopelijk) zullen afzien van ‘het te proberen’. 

Zo wordt dubbel bespaard: rechtstreeks, door de middelen aan de universiteiten en hogescholen te beperken, en onrechtstreeks, doordat er minder jongeren een studie aanvatten, en dan hopelijk vooral minder jongeren voor wie het de foute keuze is.

De slachtoffers

Al is wel de vraag wat er gebeurt met de jongeren die de studie wel aankunnen, maar het niet kunnen betalen. Logisch zou zijn dat de beurzen niet alleen worden toegekend op basis van inkomen van de ouders maar ook op score van de toelatingsproef. Daar lijkt voorlopig geen sprake van te zijn. Hier en daar worden andere voorstellen geopperd: hogere prijs voor bijkomende diploma’s bijvoorbeeld. 

Hoe dan ook valt de lagere middenklasse uit de boot: ze verdienen net te veel om een beurs te krijgen, maar de verhoging van het inschrijvingsgeld is wel serieus voelbaar. Voor sommigen net haalbaar, zij het met besparingen voor het gezin, voor anderen niet. De kans zit er dan ook in dat meer studenten hun studie moeten combineren met een job. Wat overigens de slaagcijfers ook geen goed doet – en dus ook de maatschappelijke kost niet. 

En wat met de jongeren die niet gaan studeren? Werk zoeken op een arbeidsmarkt die steeds vaker een diploma hoger onderwijs vraagt, wordt moeilijk. Ja, we hebben nood aan geschoolde arbeiders, maar het is niet omdat unief of hogeschool jou niet ligt, dat handenarbeid je wél ligt. Willen we dan echt zo graag een generatie die gedwongen zit in een job of richting die voor hen niet geschikt is? Als maatschappij word je daar niet gelukkiger van – met alle gevolgen vandien. 

Gesponsorde artikelen