Tom Van Dyck: “In mijn werk is het gepermitteerd om met een korte broek rond te lopen”

Tom Van Dyck: “In mijn werk is het gepermitteerd om met een korte broek rond te lopen”

Hij zou boekhouden studeren en de elektriciteitszaak van zijn vader overnemen. Maar als tiener al wist hij wat hij écht wilde: fijne verhaaltjes vertellen waaruit mensen troost, vreugde en verdriet halen. Tom Van Dyck werd groot als acteur (Alles kan beter, In de gloria, De Parelvissers, Het Eiland) en als scenarist en regisseur (Van vlees en bloed, Met man en macht). Sinds het voorjaar van 2013 heeft hij zijn eigen productiehuis Toespijs. “Of ik een Einzelgänger ben? Zo zie ik het, inderdaad. En zo bekijken de collega’s me ook, omdat ik eigenlijk altijd mijn eigen weg ben gegaan. Zelfs binnen Woestijnvis, waar ik tot de ‘key people’ hoorde, voelde ik me de buitenstaander van binnen uit.”

Op Intervista brengen we gesprekken ‘over mens en carrière’. Ik heb de indruk dat jij tot nu toe nogal ongeschonden door het leven bent gegaan. Geen al te grote drama’s meegemaakt, geen krassen op je ziel. Of zie ik dat mis?

Tom Van Dyck: “Ik denk dat ik in mijn professioneel leven al veel heb kunnen verwerken of troost heb kunnen vinden. De grote en kleine ‘verdrietjes’ kan ik in mijn werk kwijt. Daarom koester ik mijn eigen vak ook wel. Eén van de pijntjes is het afgeven geweest van acteur Bert André, één van mijn oudste vrienden. Hij was altijd jonger dan ik, terwijl hij eigenlijk 25 jaar ouder was. Bert had altijd een korte broek aan, bij wijze van spreken. Dat heb ik van hem geleerd. Op zijn sterfbed zei hij: ‘Jongske, zie dat je nooit je korte broek uit doet.’ Een fantastische wijsheid. Het heet ook toneelspelen. Net zoals kinderen spelen. Als je acteurs bezig ziet, is dat een bende kinderen. Ik hoop dat ik dat jongetje in mij en die nieuwsgierigheid nooit kwijt raak, want dat maakt het mogelijk om met de krassen en de trauma’s in het leven om te gaan. In mijn werk is het gepermitteerd om met een korte broek rond te lopen.”

Je hebt nog een relatie gehad met Sandrine, de dochter van Bert André.

Van Dyck: “Absoluut. Zo heb ik Bert leren kennen. Hij was een bijzondere mens. Ik moet nog dikwijls aan hem denken. Hij leeft mee in mijn rugzak, op die manier blijft hij leven en blijf ik hem herinneren. ‘Afscheid nemen van’ is het vervelende aan het leven. Ik heb voor de rest een vette portie geluk. Mijn kinderen verkeren bijvoorbeeld in goede gezondheid. Je kan ook kracht putten uit het leed van een ander, door andermans littekens te aanschouwen. Een goede vriend heeft het afscheid van zijn kind geweldig weten om te zetten in het oprichten van een stichting waar kinderkankeronderzoek mee wordt gefinancierd. Daar heb ik een enorme bewondering voor, ik krijg er koude rillingen van. Daaraan zie je hoe veerkrachtig mensen kunnen zijn. Ik hoop dat ik ten allen tijde die kracht ook ga hebben. Ik wil mij er deels voor wapenen. Dat is ook het belang van kunst en cultuur: modellen, bedenkingen en zinnen aanreiken om dit te kunnen doen en daardoor troost bieden. Ik word regelmatig aangesproken door mensen: ‘Ik wil je bedanken omdat je ons al zoveel hebt laten beleven, ons hebt laten lachen of doen huilen’. Dat is een vorm van troost. En dat vind ik fantastisch. Daar doe ik het voor.”

Lees het volledige interview op Intervista.

Gesponsorde artikelen