In het kort
- EU-landen geven voorrang aan subsidies voor fossiele brandstoffen boven de transitie naar duurzame energie.
- Spanje geeft het meeste geld uit, maar hanteert regressieve, algemene belastingverlagingen.
- Echte energieonafhankelijkheid vereist een structurele vermindering van de vraag en sociale rechtvaardigheid.
Greenpeace heeft scherpe kritiek geuit op de reactie van de Europese Unie op de energie-instabiliteit die is veroorzaakt door het conflict in Iran. De organisatie stelt dat de sluiting van de Straat van Hormuz, waardoor de wereldwijde olie- en gasprijzen omhoogschoten, juist als katalysator had moeten dienen om de overstap naar duurzame energie te versnellen. Dat meldt Euronews.
In plaats daarvan beweert de ngo dat de meeste EU-landen een „diepe structurele inconsistentie“ hebben getoond, door te kiezen voor subsidies voor fossiele brandstoffen in plaats van de crisis te gebruiken om hun afhankelijkheid van volatiele energie-importen te beëindigen.
Analyse van de strategieën van EU-lidstaten
In een nieuw rapport met de titel ‘Fossiele reddingsoperatie of energietransitie: Spanje en de crisis rond de Straat van Hormuz’ heeft Greenpeace de strategieën van zeven landen onder de loep genomen: Zweden, Portugal, Ierland, Griekenland, Nederland, Duitsland en Spanje. Uit de bevindingen blijkt dat geen van deze regeringen hun crisismaatregelen volledig heeft afgestemd op de doelstellingen voor de groene transitie.
Volgens cijfers van de denktank Bruegel hebben de EU-lidstaten zo’n 11,8 miljard euro uitgegeven om burgers te beschermen tegen stijgende kosten, maar een groot deel van dit geld diende als reddingsoperatie voor vervuilende industrieën.
Spanje trekt miljarden uit tegen hoge energieprijzen
Van de geanalyseerde landen voerde Spanje de meest omvangrijke financiële maatregel door, met meer dan 5 miljard euro om prijsstijgingen tot en met juni 2026 tegen te gaan. Dit was veel meer dan de bedragen die Duitsland (1,62 miljard), Nederland (970 miljoen) en andere vergelijkbare landen uittrokken. De Spaanse strategie richtte zich vooral op belastingverlichting, zoals het verlagen van de btw op elektriciteit, gas en brandstof van 21 procent naar 10 procent.
Hoewel Greenpeace erkent dat het Spaanse pakket het meest robuust en uitgebreid was, had de organisatie kritiek op de regering omdat die algemene belastingverlagingen doorvoerde in plaats van gerichte financiële steun te geven aan de armste huishoudens.
Uitdagingen bij de Spaanse energietransitie
Ondanks het leiderschap van Spanje op het gebied van de uitbreiding van wind- en zonne-energie, merkte Greenpeace-woordvoerder Carlos García Paret op dat het land nog steeds voor 75 procent van zijn energiebehoefte afhankelijk is van fossiele brandstoffen, waarvoor jaarlijks zo’n 22 miljard euro aan import wordt uitgegeven.
De ngo waarschuwde verder dat de snelle uitrol van hernieuwbare energie in Spanje vaak te weinig sociaal en territoriaal toezicht kende, wat leidde tot lokale conflicten en de concentratie van winsten bij grote bedrijven.
Noodzaak van structurele hervormingen
Het rapport maakt duidelijk dat een echte energietransitie meer vereist dan alleen het veranderen van energiebronnen; het vraagt om een vermindering van de totale vraag, de groei van lokale energicoöperaties en structurele markthervormingen.
Greenpeace stelt dat de huidige trend in heel Europa, het toepassen van algemene belastingverlagingen en subsidies voor meststoffen en brandstof, regressief en inefficiënt is.
Energiearmoede en sociale ondersteuning aanpakken
De crisis heeft ook de energiearmoede in Spanje verergerd, waardoor veel gezinnen zich geen basisverwarming en verlichting kunnen veroorloven. De organisatie stelt dat de huidige sociale vouchers te bureaucratisch en te beperkt zijn om mensen met een onstabiel inkomen te helpen.
Om dit te verhelpen, pleit Greenpeace voor ingrijpende veranderingen: het verhogen van belastingen voor vervuilende bedrijven die van speculatie hebben geprofiteerd, investeren in het openbaar vervoer, het versnellen van renovaties aan gebouwen en het bieden van directe inkomenssteun aan kwetsbare plattelandsbevolkingen.
