En wat als narcisme erfelijk is? Het tweelingenonderzoek dat alles op z’n kop zet wat we dachten te weten

Is narcisme erfelijk? Volgens dit onderzoek zit het in de familie, maar heeft de opvoeding er verrassend weinig mee te maken

In het alledaagse taalgebruik belandt narcisme al snel op de bank in de woonkamer: met een moeder die te kil is, een vader die te afwezig is, een kind dat is grootgebracht met complimentjes alsof het snoepjes zijn vóór het eten. Het is makkelijk, zelfs geruststellend, want zo kun je een etiket plakken op een ingewikkeld verhaal: iemand ís zo omdat er thuis ooit iets is misgegaan, of omdat hij of zij als een klein keizertje is behandeld. De werkelijkheid, gemeten over duizenden gezinnen, heeft echter weinig zin om zich netjes aan onze scenario’s te houden.

Nieuw onderzoek onder tweelingen en hun familieleden verschuift het zwaartepunt van de discussie flink. Narcistische trekken blijken inderdaad vaker voor te komen binnen families, maar de overdracht van ouders op kinderen lijkt vooral te maken te hebben met de genetische component, terwijl de gedeelde opvoedingsstijl – wat broers en zussen in hetzelfde huis inademen – nauwelijks gewicht in de schaal legt. Het onderzoek verscheen op 23 maart 2026 online en maakte gebruik van een uitgebreid familiemodel om biologische erfenis, gedeelde gezinssituatie en individuele ervaringen van elkaar los te weken.

Voordat we bij de borrel diagnoseboekje gaan spelen, is een pas op de plaats zinvol. Hier gaat het om narcisme als persoonlijkheidstrek, een dimensie die bijvoorbeeld grootheidsgevoel, rechtgevoel, drang naar sociale status en de behoefte aan bewondering omvat. In sommige situaties kunnen deze trekken zelfvertrouwen geven, aanvankelijke charme en leiderschapskwaliteiten. Maar na verloop van tijd kunnen ze ook zorgen voor conflicten, risicovolle beslissingen, uitputtende relaties en een werksfeer die moeilijk te verteren is.

Het gezin weegt minder zwaar dan ons verhaal doet vermoeden

Decennialang lag de meest gehoorde verklaring bijna automatisch bij het gezin. Aan de ene kant waren er psychoanalytische verklaringen, met het idee van narcisme als een harnas dat wordt opgetrokken tegenover kille, afstandelijke ouders die geen warmte geven. Aan de andere kant waren er leertheorieën, volgens welke een kind dat te veel op een voetstuk wordt gezet, kan eindigen met een opgeblazen zelfbeeld. Twee heel verschillende lezingen, met één gedeelde overtuiging: de manier waarop ouders hun kinderen opvoeden, zou doorslaggevend zijn.

De onderzoeksgroep probeerde wat mist uit die overtuiging te halen. In de psychologie speelt steeds dezelfde moeilijkheid: ouders en kinderen delen huis, gewoontes, gezinssfeer, geld, regels, discussies, verwachtingen. En ze delen ook een deel van hun genetisch materiaal. Die lagen uit elkaar trekken is zo ingewikkeld als achteraf bepalen of een bepaalde angst is ontstaan door een opmerking aan tafel, of dat hij al veel eerder in ons zat, lang voordat we er woorden voor hadden.

Om dat te doen gebruikten de onderzoekers gegevens uit het Duitse TwinLife-project, een groot onderzoek naar tweelingen en families. De uiteindelijke steekproef omvatte 6.715 personen: 2.639 tweelingen, 619 broers en zussen die geen tweeling zijn, 1.828 moeders, 1.390 vaders en 239 partners of echtgenoten van de tweelingen. Deze opzet is waardevol omdat hij het mogelijk maakt familieleden te vergelijken met verschillende graden van genetische overeenkomst: eeneiige tweelingen, twee-eiige tweelingen, gewone broers en zussen, ouders, kinderen, stellen.

De deelnemers vulden gestandaardiseerde psychologische vragenlijsten in. Voor adolescenten en volwassenen werden verschillende, leeftijdsgebonden schalen gebruikt: bij de jongeren zaten er items in over ervaren leiderschap, je speciaal voelen en de capaciteit om anderen te controleren; bij volwassenen werden verlangen naar bewondering, aandacht, prestige en status gemeten. De belangrijkste cohorten bestonden uit mensen van rond de 15, 21 en 27 jaar, zodat de trek werd gevolgd van de late adolescentie tot het volledig binnentreden in de volwassenheid.

De scherpste uitkomst is meteen ook de meest controversiële: ongeveer 50 procent van de individuele verschillen in narcisme bleek toe te schrijven aan genetische factoren, terwijl de andere helft afhing van individuele omgevingsinvloeden, dus ervaringen die iemand op een unieke manier beleeft. Vrienden, liefdesrelaties, school, universiteit, werk, successen, afwijzingen, sociale beloningen, statusdynamiek. De gedeelde gezinsomgeving, die broers en zussen juist meer op elkaar zou moeten doen lijken omdat ze onder hetzelfde dak opgroeien, bleek vrijwel verwaarloosbaar.

Dat is het deel dat het sterkst schuurt met het gangbare idee. Ouders en kinderen lieten vergelijkbare niveaus van narcisme zien, dus er wás familiegelijkheid. Het statistische model schreef die gelijkenis echter toe aan gedeelde biologie, niet aan directe opvoedingsinvloeden. Heel simpel gezegd: het kind van een ouder met narcistische trekken kan op die ouder lijken, maar het onderzoek suggereert dat die overeenkomst vooral via het DNA verloopt en veel minder via het dagelijkse gedrag van de ouder.

Het oude script van de schuldige ouder gaat wankelen

Het onderzoek spreekt niet ineens alle gezinnen ter wereld vrij, en het zou naïef zijn om het zo te lezen. Een ouder kan kwetsen, binnendringen, kleineren, vernederen, een kind overladen met verwachtingen. Dat alles laat sporen na. De studie zegt iets specifiekers en tegelijk ongemakkelijkers: als je naar narcisme kijkt als een meetbare trek, lijken de verschillen tussen mensen veel meer te worden verklaard door genetica en unieke persoonlijke ervaringen dan door de gedeelde gezinssfeer.

Er is ook een opmerkelijk detail. In de wiskundige modellen duikt een klein signaal op dat zelfs het tegenovergestelde lijkt te suggereren van wat we vaak aannemen: meer narcistische ouders zouden via hun gedrag eerder een omgeving creëren die de ontwikkeling van dezelfde trek bij hun kinderen juist licht afremt. De onderzoekers waarschuwen voor overinterpretatie, omdat het om een kwetsbare uitkomst gaat die je niet tot slogan moet maken. Maar het is genoeg om de simpele formule ‘narcistische ouder, narcistisch kind door imitatie’ flink onder druk te zetten.

Nog een element heeft te maken met partnerkeuze. Het onderzoek vond aanwijzingen voor assortative mating, de neiging om een partner te kiezen met eigenschappen die op de eigen lijken. In de praktijk bleken ouders onderling vaker vergelijkbare niveaus van narcisme te hebben. Ook dat botst met een wijdverspreid cultureel beeld: dat van de sterk narcistische persoon die altijd een volgzame, zwakke partner zou kiezen, als het ware gemaakt om gedomineerd te worden. De data schetsen een minder dramatisch plaatje: vaak herkent het gelijke het gelijke, ook als dat thuis uitloopt op een soort koude oorlog achter zorgvuldig bij elkaar passende gordijnen.

De relatieve bijdrage van genetica en individuele ervaringen bleef redelijk stabiel in de verschillende leeftijdsgroepen. De auteurs hadden misschien verwacht dat de genetische component bij jongvolwassenen sterker naar voren zou komen, omdat met de jaren de autonomie toeneemt en mensen hun eigen omgevingen kiezen, passend bij hun voorkeuren. De data lieten echter geen statistisch stevige verschillen tussen de cohorten zien. Tussen adolescentie en vroege volwassenheid blijft de verdeling ongeveer gelijk: een sterke biologische component, een even sterke persoonlijke omgevingscomponent en nauwelijks ruimte voor de gedeelde gezinsomgeving.

Dat maakt van narcisme nog geen lot dat met onuitwisbare stift op de geboorteakte staat geschreven. In dit soort studies geeft ‘genetica’ aan welk deel van de verschillen tussen mensen binnen een populatie wordt verklaard, niet een oordeel over het individuele persoon dat tegenover ons zit. Een aanleg hebben betekent een gevoeligheid, een neiging, een voedingsbodem. Daarna komen de ervaringen, en daar wordt het verhaal vies van het echte leven: de vriendengroep, populariteit, de eerste liefdes, vernederingen, werk, promoties, de manier waarop iemand leert aandacht te krijgen en op te eisen.

Vrienden, liefdes, werk

De richting die de auteurs aangeven is heel concreet. Als de gedeelde gezinssituatie weinig verklaart, moet onderzoek beter kijken naar wat er buiten de voordeur gebeurt. Iemand met een bepaalde aanleg kan omgevingen opzoeken die die trek bevestigen, en kan sociale beloningen krijgen precies op de momenten dat hij of zij zich dominant, verleidelijk, competitief of briljant gedraagt. Als iemand iedere keer dat hij zijn stem verheft wél wordt gehoord, als hij applaus krijgt zodra hij het podium pakt, als hij met charme telkens voordeel behaalt, kan die neiging een gewoonte worden, daarna een stijl en uiteindelijk een identiteit.

Liefdesrelaties zijn daarbij – helaas – een ideaal laboratorium. Aan het begin kunnen sommige narcistische trekken ronduit magnetisch lijken: zelfverzekerdheid, intensiteit, het vermogen een ruimte te domineren, grote woorden, grote beloften, grote gebaren. Die eerste indruk kan uitstekend werken. De rekening komt wanneer wederkerigheid ruimte opeist, wanneer de ander ophoudt publiek te zijn en een mens wordt, met eigen behoeften, grenzen, vermoeidheid, slechte dagen. Dan kan de trek die eerst charisma leek, ineens gaan schuren.

Ook werk speelt een rol. In sommige omgevingen wordt de jacht op status bijna automatisch beloond. Wie zich het beste weet te verkopen, het meeste ruimte inneemt en van elke vergadering een klein podium maakt, krijgt meer aandacht, meer doorgroeimogelijkheden, meer erkenning. Daar zijn geen Amerikaanse films met wolkenkrabbers en haaien in pak voor nodig. Een bedrijfschat, een kantoor, een projectgroep, een leidinggevende die arrogantie verwart met leiderschap, zijn al genoeg. Persoonlijkheid wordt ook zo getraind, herhaling na herhaling.

Biologisch gezien blijven er nog veel vraagtekens. De auteurs pleiten voor meer onderzoek naar welke genetische mechanismen betrokken zijn, inclusief mogelijke verbanden met hormonen als testosteron en met hersensystemen die beloning, dreiging en statussignalen verwerken. Dat pad is nog lang: ‘genetica’ is een deur die opengaat, maar daarachter liggen circuits, gevoeligheden, contexten, reacties en jaren geleefd leven.

Het onderzoek heeft bovendien een belangrijke beperking: de gegevens zijn afkomstig van zelf in te vullen vragenlijsten. Bij narcisme weegt dat zwaar, omdat het zelfbeeld vertekend, opgepoetst of juist afgezwakt kan zijn. De auteurs wijzen erop dat zulke vertekeningen de geschatte familiegelijkheid kunnen verkleinen, en daarmee ook de verhouding tussen erfelijkheid en individuele omgeving deels kunnen verschuiven. De hoofdconclusie blijft echter overeind: narcisme komt wel degelijk vaker voor binnen families, maar vooral via genetische weg.

De praktische consequentie is relevant voor psychologen, therapeuten, leerkrachten en organisaties. De oorzaak altijd in de woonkamer zoeken, betekent dat je enorme delen van het verhaal dreigt te missen. Het is zinvoller te kijken naar hoe iemand wordt beloond, gekozen, gevreesd, begeerd, nagevolgd. Naar welke omgevingen iemand laten groeien zonder ooit grenzen te stellen. Naar welke relaties iemand leren dat de aandacht van anderen een verworven recht is. Naar welke wonden, uiteraard, maar óók naar welke voordelen.

Narcisme blijft een glibberig onderwerp, juist omdat we de term zo graag gebruiken. Het is een snel etiket geworden, handig voor ex-partners, onuitstaanbare bazen, theatrale familieleden en mensen die alle zuurstof in een ruimte lijken op te eisen. Dit onderzoek vraagt iets minder comfortabels: minder snel wijzen, beter naar de data kijken en stoppen met alles terugbrengen tot het sprookje van het verwende of verwaarloosde kind. De familie blijft op de achtergrond. Bloed weegt. De rest wordt bepaald door straten, mensen, beloningen, afwijzingen, de kamers waarin iemand leert dat de wereld zich moet omdraaien zodra híj binnenkomt. En soms, helaas, doet de wereld dat ook nog.

Bron: Social Psychological and Personality Science

© GreenMe

Voeg newsmonekey.be toe als preferred source op Google
Meer
Lees meer...